The New Yorker  | New York

Het valt niet meer te ontkennen: watertekorten, natuurbranden, een stijgende zeespiegel en extreem weer staan voor ieders deur. Strijdbaarheid is de sleutel, beweren klimaatactivisten. Wanhoop en verlamming slaan pas toe als we denken dat er niets meer aan te doen is.

De onbewoonbare aarde, het nieuwe boek van David Wallace-Wells over de gevolgen van klimaatverandering voor de mens, begint met de zin: ‘Het is erger dan je denkt, veel erger.’ Steden waar de extreme hitte het asfalt doet smelten en spoorlijnen kromtrekken. Grote delen van de aarde die na vijf graden opwarming continu met droogte kampen. En als de zeespiegel maar zes meter stijgt – een optimistisch scenario – komen gebieden waar nu 375 miljoen mensen wonen onder water te staan. Sommige van zijn apocalyptische verhalen zijn geen toekomstvoorspellingen, maar komen uit het recente verleden: eind 2018 grepen de bosbranden in Californië zo snel om zich heen dat evacués ‘langs exploderende auto’s moesten rennen terwijl hun schoenen aan het smeltende asfalt bleven plakken’.

De grote lijnen van het door Wallace-Wells geschetste beeld kunnen geen verrassing zijn voor iedereen die een beetje heeft opgelet. We stevenen af op – of bevinden ons eigenlijk al in – een tijdperk van watertekorten, natuurbranden, een stijgende zeespiegel en extreem weer. Wanneer zou de stad waar ik woon onder water lopen? Waar moet ik dan gaan wonen? Waar moeten mijn toekomstige kinderen wonen? Moet ik wel kinderen willen?

Bosbrand nabij Paradise in Californië, november 2018. De brand bestreek een gebied van 45.000 hectare – zo’n 20.000 voetbalvelden – en was de dodelijkste bosbrand ooit in de Amerikaanse staat. © The Washington Post / Getty Images