Ha’aretz  | Tel Aviv

De eerste vertalers Hebreeuws van Twintigduizend mijlen onder zee zaten met een lastig probleem. Er waren geen woorden voor de zeewezens van Jules Verne.

In tegenstelling tot de Feniciërs waren de oude Hebreeërs geen zeevarend volk, wat waarschijnlijk verklaart waarom er maar weinig zeedieren staan vermeld in de Hebreeuwse bronnen van de Bijbel, met uitzondering uiteraard van de walvis (liwjatan of leviathan) van de profeet Jona. Hoe het ook zij, de Joden, die het Hebreeuws al heel snel hadden verruild voor het Aramees, vonden er iets op: ze gebruikten voor de zee-wezens gewoon de woorden van hun buren.

Dat werd pas een probleem in de twintigste eeuw, toen er buitenlandse boeken werden vertaald in het Modern Hebreeuws, een nieuwe taal die was ontwikkeld door en voor de zionistische beweging op basis van het Bijbelse en rabbinistische Hebreeuws en die in 1948 de officiële taal van Israël zou worden. Toen Zeev Sperling, een Jood uit Palestina, zich in 1876 in het hoofd haalde om Twintigduizend mijlen onder zee te vertalen, had hij heel wat moeite om de Hebreeuwse namen te vinden voor de vele zeewezens die in de roman van Jules Verne beschreven staan. Om een voorbeeld te geven: de wezens die de Nautilus aanvallen heten in zijn vertaling ‘reuzenslakken’ (khelzonot anak), omdat er in het Hebreeuws van die tijd geen woord voor ‘octopus’ bestond.

Vreemde namen

Maar in 1892 was de taalkundige en pionier van het Modern Hebreeuws Eliëzer Ben Jehoeda (1858-1922) begonnen diverse consumptievissen van neo-Hebreeuwse namen te voorzien: khilak (van het Latijnse halec) voor haring, sardal (van het Griekse sardella) voor sardine en palmod (van het oud-Griekse pelamys) voor makreel. Alleen zijn deze neologismen, ondanks de naam en faam van Ben Jehoeda, nooit tot het gangbare taalgebruik doorgedrongen. Hoewel de Hebreeuwse samenleving van Palestina zich in het begin van de twintigste eeuw gestaag ontwikkelde, werden de vissen nog altijd aangeduid met de namen die de Arabische vissers in Palestina gebruikten, of met namen die werden geïmporteerd door de Joodse immigranten van het Europese continent.

Zo noemden de Joden in Palestina de dorade destijds dènis, naar het Levantijns-Arabische dinnîs. In het Turks heet deze vis çipura, en ook die naam is courant geworden, in tegenstelling tot het door Ben Jehoeda bedachte avroma, naar het Latijnse abramis. De zalm heet salmon (een leenwoord van het Engels) of lavrak, naar het Ottomaans-Turkse levrek dat door de Palestijnse vissers wordt gebruikt. Zelfs de harder heeft, ondanks de inspanningen van Ben Jehoeda, een Arabische naam gekregen, bouri. Omdat ‘sardine’ een woord is dat in veel talen wordt gebruikt, zoals het Arabisch, het Russisch, het Duits en het Engels, is dit ook ingeburgerd in het Modern Hebreeuws. En ‘makreel’, door Ben Jehoeda als palmod vertaald, is onder invloed van de Arabisch-Palestijnse omgeving palamida geworden, een hebraïsering van het ballamîda van de Arabische vissers.