The New York Times | New York

Morele autoriteit is de belangrijkste bron van macht, stelt voormalig opperbevelhebber van de NAVO. Een positie als wereldmacht is alleen gerechtvaardigd als een land zich inzet voor de goede zaak.

In de loop der jaren hebben duizenden cadetten aan de United State Military Academy, onder wie ikzelf, het gebed van de West Point-cadetten uit het hoofd geleerd en opgezegd. ‘Laat ons de moeilijke, juiste weg verkiezen boven de makkelijke, foute weg,’ luidt het gebed, ‘en nooit genoegen nemen met de halve waarheid wanneer de hele waarheid binnen bereik ligt. Geef ons de moed die is geboren uit trouw aan alles wat nobel en waardig is, de moed die geen compromissen sluit met kwaad en onrecht, de moed die geen angst kent wanneer de waarheid en het goede in het gedrang komen.’

Het gebed gaat erover hoe belangrijk het is om het juiste te doen, en stelt dat morele autoriteit de belangrijkste bron van macht is. Cadetten wordt geleerd dat hun eigen normbesef de voornaamste reden moet zijn om macht te willen hebben, en de enige rechtvaardiging om die macht ook uit te oefenen. Dat is de essentie van de ‘moed’ waarover in dit gebed wordt gesproken, het soort moed dat elke leider in het bloed moet hebben zitten.

Maar als land en als leider hebben wij niet altijd blijk gegeven van een dergelijke moed. Twee belangrijke gebeurtenissen uit mijn carrière laten duidelijk zien dat we op bepaalde momenten juist hebben gehandeld, vanuit ons eigen normbesef, en op andere momenten niet.

Rwanda

Op 6 april 1994 werd boven Kigali, de hoofdstad van Rwanda, een vliegtuig neergehaald met aan boord Juvénal Habyarimana en Cyprien Ntaryamira, de Hutu-presidenten van respectievelijk Rwanda en Burundi. Deze moordaanslag vormde het startschot voor een etnische zuivering, zo grootschalig en zo gewelddadig dat de hele wereld geschokt toekeek. Al vrij snel na het uitbreken van de crisis sprak de Amerikaanse regering haar afgrijzen uit en riep de Hutu-autoriteiten in Rwanda op om de genocide een halt toe te roepen. Washington deed een klemmend beroep op de Verenigde Naties om de aanwezige vredestroepen in Rwanda te versterken zodat er een einde kon worden gemaakt aan het bloedbad. Maar daar bleef het bij.

Ik was destijds hoofd trategieontwikkeling en beleid voor de Joint Chiefs of Staff. Op verzoek van Madeleine Albright, de toenmalige ambassadeur bij de Verenigde Naties, stelde ik samen met mijn mensen een militair conceptplan op om de genocide in Rwanda een halt toe te roepen. Maar het leidde tot niets. We kregen keer op keer te horen: ‘Jullie denken toch niet dat het congres een plan goedkeurt om twintigduizend manschappen en twee miljard dollar te investeren in het hart van Afrika?’ In de maanden die volgden, lazen en bediscussieerden mijn mensen, en vele anderen binnen de regering, met groeiend afgrijzen de verslagen van alle gruwel­daden die plaatsvonden in Afrika.