The New Yorker  | New York 

In Afghanistan worden op dit moment vredesbesprekingen gevoerd met de Taliban. De voorzitter van de Afghaanse mensenrechtencommissie is bang dat de rechten van vrouwen het eerst zullen sneuvelen, als ze geen plaats aan de onderhandelingstafel krijgen.

Sima Samar is voorzitter van de onafhankelijke mensenrechtencommissie van Afghanistan en heeft een lange carrière achter de rug als voorvechtster van de verdrukten. Ze is geboren in Afghanistan en haalde in 1982 haar artsendiploma aan de universiteit van Kaboel. Haar man werd in 1984 door het communistische regime ontvoerd – hij is nooit teruggekomen – en zij vluchtte met haar zoon naar Pakistan.

Daar richtte ze de Shuhada-organisatie op, voor zwangerschapszorg aan Afghaanse vluchtelingen. Nadat de Taliban in 2001 waren verslagen, keerde Samar terug naar Afghanistan, waar ze minister van Vrouwenzaken werd in het interim-kabinet van Hamid Karzai. Vervolgens werd ze speciale mensenrechtenvertegenwoordiger van de Verenigde Naties in Soedan. Sinds 2004 is Samar voorzitter van de onafhankelijke nationale mensenrechtencommissie in Afghanistan, die onafhankelijk van de Afghaanse regering opereert.

Aan het begin van dit jaar kondigde de regering-Trump aan dat er een basis lag voor een vredes-akkoord met de Taliban dat uiteindelijk zou moeten leiden tot de terugtrekking van de Amerikaanse en NAVO-troepen. Maar president Ashraf Ghani en vrouwenrechtenactivisten in Afghanistan vrezen dat een door de Amerikanen gesloten akkoord hun belangen zal ondermijnen, en dat de Taliban zich er op de langere termijn niet aan zullen houden. Afghanistan heeft de afgelopen twee decennia wel vooruitgang geboekt op het gebied van mensen-rechten, maar is voor vrouwen nog steeds een van de gevaarlijkste landen ter wereld. Samar is niet tegen vredesbesprekingen, maar heeft altijd gezegd dat daar ook vrouwen bij betrokken moeten worden en dat er rekenschap moet worden afgelegd voor de mensenrechtenschendingen in het verleden.

Kort geleden had ik telefonisch contact met Samar, terwijl zij in Kaboel was. Tijdens ons gesprek, dat geredigeerd is omwille van de lengte en de leesbaarheid, hebben we besproken hoe het er nu voorstaat met de mensenrechten in Afghanistan in vergelijking met vroeger, wat de vredesbesprekingen wel en wat ze niet zouden kunnen bereiken, en hoe het land kan ontkomen aan een voortdurende staat van oorlog.

Hoe staat het nu met de mensenrechten in Afghanistan, en hoe gaat het in vergelijking met de tijd voor het Amerikaanse ingrijpen?

We hebben veel bereikt. In de jaren negentig werden in Afghanistan de rechten van alle inwoners geschonden, maar met name die van vrouwen. Vrouwen mochten niet naar school, vrouwen mochten niet alleen over straat lopen, of naar de winkel gaan om brood te kopen; ze moesten begeleid worden door een mannelijk familielid en ze werden gedwongen een boerka te dragen – een ontkenning van de waardigheid en de identiteit van de Afghanen. Dit gold ook voor mannen: zij moesten een tulband dragen. En de kinderen mochten niet met speelgoed spelen waar muziek uit kwam of dat eruitzag als iets levends. Stel je voor, ze mochten niet eens vliegeren, want een vlieger lijkt op een vogel.

Vergelijk dat eens met hoe het nu is: zo’n negen miljoen kinderen gaan naar school, jongens en meisjes, al blijft de toegang tot onderwijs beperkt door de oorlog die nog steeds gaande is in sommige delen van het land, en ook door de oorlogscultuur, die niet alleen is meegebracht door de Taliban maar daarvoor al door de moedjahedien en tijdens de oorlog tegen de pro-Russische regering in ons land. In conflicten zijn vrouwen kwetsbaarder, met name voor seksueel misbruik, dus werden ze door hun familie in de gaten gehouden. Politieke groeperingen beperkten de mobiliteit en de rechten van vrouwen, en hun vrijheid van meningsuiting. Nu horen vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid tot
de grootste successen in dit land. Vergeleken met onze buurlanden lopen we op dat punt voorop.