Stern | Hamburg

Meer dan 5000 moeders sterven elk jaar in Bangladesh bij de bevalling. Vroedvrouwen moeten levens redden – maar ze moeten zich ook verdedigen tegen vooroordelen van artsen en families. Zo worden ze voortrekkers van de emancipatie.

Ze trekt haar witte kiel over haar hoofd, pakt haar stethoscoop in en verlaat de kraamkliniek in Dhaka, Bangladesh. De hete lucht van de hoofdstad waar 8 miljoen mensen wonen waait Afroja Akter tegemoet. Het riekt naar uitlaatgassen en rijpe bananen. Vandaag bezoekt de vroedvrouw een jongetje van zeventien dagen oud. De kelderkamer is donker. De ventilator snort tegen de middaghitte.

‘Zuster, kijk eens,’ zegt Afroja tegen de moeder terwijl ze het gezichtje van de zuigeling streelt. ‘Zijn oogwit is geelachtig. Hij heeft daglicht nodig.’

‘Maar ik kan niet naar buiten,’ zegt de 25-jarige. ‘Buiten zijn zoveel mensen.’

‘’s Morgens tien minuten, dat is genoeg,’ zegt Afroja.

Afroja Akter, 23 jaar oud, in roze hoofddoek en roze gewaad, werkt sinds acht maanden als vroedvrouw. In die tijd heeft ze ongeveer honderd baby’s ter wereld gebracht. Ze geeft zwangere vrouwen voorlichting over geelzucht bij pasgeborenen en helpt moeders bij de borstvoeding. Geboortebegeleiding, preventieve zorg en nazorg – het zijn dezelfde diensten die ook opgeleide vroedvrouwen in Kaapstad, Londen of Hamburg aanbieden.

Het verschil is dat dit beroep in Bangladesh tot acht jaar geleden niet bestond. Afroja Akter behoort tot de pioniersters in deze professie. De wens kwam vanuit de politiek, om de sterfte onder jonge moeders in het land terug te dringen. Maar Afroja is niet alleen aangesteld in de strijd tegen de vermijdbare dood. Haar beroep heeft in het islamitische land een neveneffect: het emancipeert Afroja en haar collega’s – en meteen ook de jonge moeders van de wijk.

Een goed alternatief

Bangladesh heeft de millenniumontwikkelingsdoelstellingen ondertekend, waarvan ook de verbetering van gezondheidszorg voor moeders deel uitmaakt. Het sterftecijfer in het land was sinds de jaren negentig voortdurend gedaald. Maar het streefdoel van de VN – een vermindering van de sterfte met driekwart – haalde het land niet. Per jaar sterven hier meer dan 5000 vrouwen aan complicaties bij de bevalling [ter vergelijking: is Nederland zijn dat er minder dan tien]. De meesten bloeden dood. Voor 2015, zo kondigde de premier Sheikh Hasina toen aan, zouden er 3000 vroedvrouwen aan het werk gaan. Het idee daarachter was simpel: de meeste moeders stierven in de landen met de minste vroedvrouwen.

Maar de praktische uitvoering in het dichtbevolkte Bangladesh was ingewikkelder. Bijna de helft van alle vrouwen bevalt thuis, ondersteund door ongekwalificeerde helpsters. Velen leven verstoken van medische zorg, en zijn moeilijk bereikbaar. Vaak staat de man niet toe dat de vrouw naar het ziekenhuis gaat. Een reden zijn ook de kosten. Het aantal keizersneden ligt in veel privéziekenhuizen in de buurt van 80 procent. En die zijn tienmaal zo duur als een natuurlijke bevalling. Sommige kraamafdelingen hebben wel operatiekamers, maar geen zaal met kraambedden.

Afroja’s vader, een handelaar in fietsonderdelen, wilde dat zijn middelste dochter medicijnen ging studeren. Maar haar schoolcijfers waren niet goed genoeg. ‘Deze opleiding was een goed alternatief,’ zegt ze. De drie jaren waren kosteloos, gefinancierd onder andere door het Britse ministerie van Ontwikkelingssamenwerking. Maar wat een vroedvrouw precies is, begreep Afroja pas toen ze bijvoorbeeld leerde hoe hormonen die de borstvoeding regelen beïnvloed worden door huidcontact.