Nature  | Londen

Door ontwikkelingen in de natuurwetenschappen is ons denken over identiteit herhaaldelijk veranderd, schrijft Nature-redacteur Nathaniel Comfort. Wie wij zijn wordt niet slechts bepaald door onze DNA-code, maar is een samenspel van verschillende invloeden, waaronder de bacteriën en schimmels in ons lichaam.

De gedachte dat een samenleving gebaseerd moet zijn op rationaliteit, feiten en universele waarheden is in de moderne tijd een leidend principe geworden. Wat in veel opzichten geweldig is. (Ik heb de laatste tijd genoeg feitenvrije politiek gezien voor een heel mensenleven.) Maar de waarden van de Verlichting hebben in de loop der tijd ruimte geboden aan de meest tegenstrijdige opvattingen: dat alle mensen gelijk zijn, dat de adel moet worden onthoofd, dat je mensen kunt verhandelen als vee. Ik zou willen stellen dat de zwartste bladzijden in deze geschiedenis een gevolg zijn van sciëntisme: het geloof dat de natuurwetenschappen de enige juiste bron zijn van kennis over de wereld en oplossingen voor maatschappelijke problemen. Waar de wetenschap ons zelfbewustzijn vaak verruimd en bevrijd heeft, heeft het sciëntisme het juist ingeperkt.

In de afgelopen honderdvijftig jaar heeft zowel de wetenschap als het sciëntisme op verschillende manieren gestalte gegeven aan de menselijke identiteit. De ontwikkelingspsychologie richtte zich vooral op het intellect, waarbij het IQ (het intelligentiequotiënt) stilaan veranderde van onderwijshulpmiddel in maatschappelijk machtsmiddel. In de immunologie werd identiteit vooral gedefinieerd als het verschil tussen eigen en niet eigen (lichaamsvreemd).