360 | Amsterdam

Ik denk dat ik nooit poëzie zal lezen

Die zo lieflijk als een boom kan wezen

Een boom wiens begerige mond dorst

Naar de hongerige aardeborst

Een boom die tot God bidt dag en nacht

En met armen vol loof naar hem tracht

Een zomerse eik of perelaar

Met een roodborstjesnest in zijn haar

Op wiens boezem een sneeuwlaag rustte

En die elke regendruppel kuste

Poëzie, zinvol of een beetje zot?

Bomen, fotosynthese of hand van God?

Joyce Kilmer, Bomen (1913)

Davi Kopenawa schreef de eerste autobiografie van iemand die in het regenwoud leeft.  © Fernando Frazão / Agência Brasil