Al Jazeera | Doha

De aanstelling van de dertiger Sanna Marin als premier van Finland lijkt te bevestigen dat dit land volledige gelijkheid tussen man en vrouw heeft bereikt, maar lopen Finland en de andere Scandinavische landen wel zo voorop? Pakistan had dertig jaar geleden al een vrouw van 35 als minister-president.

De aanstelling van de 34-jarige als minister-president wordt een overwinning van het feminisme genoemd. Toch is de rechtse partij Ware Finnen het grootst, een partij die antifeministisch is en haat tegen vrouwen verspreidt. – ©Zheng Huansong Xinhua/ HH

Op 10 december benoemden de Finse sociaaldemocraten, de grootste partij in een vijfpartijencoalitie, de 34-jarige minister van Vervoer en Communicatie Sanna Marin tot premier. De relatief onbekende politicus werd daarmee op slag een internationale beroemdheid: het gebeurt immers niet elke dag dat zo’n jonge vrouw de kans krijgt om een land te leiden. In talloze artikelen en nieuwsberichten werd haar onverwachte aanstelling gevierd als een ‘overwinning voor het feminisme’ en werd Finland geprezen om zijn ‘vooruitstrevendheid’. In Finland wordt haar premierschap duidelijk gezien als een blijk van de seksegelijkheid in Scandinavische landen. Maar is Finland met zijn jonge vrouwelijke regeringsleider echt zo uniek? En belangrijker: is een vrouwelijke premier doorslaggevend bewijs dat een land volledige gelijkheid tussen man en vrouw heeft bereikt?

Want zo bezien was Pakistan, dat vaak ‘aartsconservatief’ en ‘patriarchaal’ wordt genoemd, en zelfs beschouwd wordt als een van de gevaarlijkste landen ter wereld voor vrouwen, meer dan dertig jaar geleden al net zo vooruitstrevend als Finland: toen werd daar immers de 35-jarige Benazir Bhutto tot premier gekozen. Zij was destijds niet alleen de jongste premier, maar ook de eerste moslimvrouw ter wereld die een land leidde. Finland kreeg pas tien jaar later, in 2000, zijn eerste en enige vrouwelijke president, en pas in 2003 zijn eerste vrouwelijke premier.

Pakistan was ook niet het enige ‘conservatieve’ en overwegend islamitische land dat er eerder bij was dan het ‘progressieve’ Finland. Khaleda Zia werd in 1991 de eerste vrouwelijke premier van Bangladesh, en Tansu Ciller in 1993 de eerste van Turkije. Andere zuidelijke landen die door het Westen ook vaak als ‘vrouwonvriendelijk’ of ‘gevaarlijk voor vrouwen’ worden bestempeld, hadden zelfs nog veel eerder een vrouwelijke regeringsleider: Sirimavo Bandaranaike, de eerste vrouwelijke premier van Sri Lanka, werd gekozen in 1960, en Indira Gandhi werd premier van India in 1966.