Infobae | Buenos Aires

De Peruaanse auteur Jaime Bayly keert na jaren terug naar een wijk in Buenos Aires waar de bomen hem troostten tijdens een donkere periode in zijn leven. Een schrijver, realiseerde hij zich, is als een boom; hij moet leren om stil te blijven zitten en alles te observeren.

Een zonovergoten zaterdag in Buenos Aires. In de lucht bleef het vermoeden of de overtuiging hangen dat de toekomst een hoop ellende zou brengen. Sommige mensen vroegen me of de nederlaag in oktober [die van president Mauricio Macri tijdens de presidentsverkiezingen] onvermijdelijk was en ik trok een uitgestreken gezicht. Omdat de toekomst fictie is, omdat we schipbreukelingen zijn die de woelige zee op het droge heeft geworpen, of wellicht omdat ik niet wist of ik ooit terug zou keren naar Buenos Aires, besloot ik af te reizen naar mijn verleden.

Het was geen verre rit. Mijn verleden bevond zich op een halfuur rijden, in een buitenwijk ten noorden van de stad, aan de oever van de Río de la Plata. De taxichauffeur vertelde me tijdens de gehele rit dingen die ik me nu niet meer herinner. Ik herinner me alleen nog dat hij Quique heette en niet zuinig was op zijn woorden. Hij hield niet op over de politiek en haar smerige zaken. Ik had geen zin om over politiek te praten. Eerlijk gezegd had ik überhaupt geen zin om te praten.

Toen we aankwamen op het plaza Pueyrredón, in het hart van de wijk Parque Aguirre, verzocht ik de chauffeur te stoppen en te blijven wachten. Ik ga even een stukje wandelen, zei ik. Ik ben over een uur terug. Hij vroeg me of ik wilde dat hij meeging. Ik antwoordde dat ik liever alleen wandelde door deze labyrintische wijk met haar geplaveide straten waardoor ik zo vaak heb gedwaald, lijdend aan melancholie, doelloos. Ik woonde toen nog in de Avenida Roque Sáenz Peña, op een paar straten afstand van deze beschutte buurt, in een appartementje met uitzicht op een wijk vol herenhuizen en een rugbyclub waar de knapste jongens hun lichaam trainden om bruut op elkaar in te beuken, en eens in de zoveel tijd iemand invalide raakte.

Onsterfelijk

De lucht die ik inademde werkte op mijn longen als een geneeskrachtige balsem. Niet zwaar, zoals de lucht in de stad; hij schuurde niet in je keel zoals de giftige lucht van Recoleta [een wijk in Buenos Aires], verpest door al die auto’s en bussen. Terwijl ik met trage passen door de straten liep die nog steeds als bekend terrein voelden en op een zekere manier bij mij zijn gaan horen – het decor van mijn emoties en herinneringen –, begreep ik de superioriteit van de bomen ten opzichte van ons, de mensen.

Die oude bomen, die me zo vaak een aangename schaduw hadden geboden toen ik ze aan het begin van deze eeuw elke middag bezocht, stonden er nog steeds. Fier overeind, onoverwinnelijk en rank, statige getuigen van de tijd die alles overhoophaalt, zodat uiteindelijk alles hetzelfde blijft. De pampaboom en de johannesbroodboom, de wierookboom, de quebracho en de kurkeik, die eeuwenoude bomen zien mensen komen en gaan, zien ruzies ontstaan, uitgevochten en bijgelegd worden, zien mensen sterven, maar zij blijven leven, geven niet op, vallen niet om; ze lijken onsterfelijk.