The Nation | Bangkok

De vader van historicus Susan Pedersen heeft nog nooit betaald voor eten dat hij zelf kan kweken. Zij en haar zus onderhielden de moestuin. Dat leverde de hele zomer salades op en in de winter hadden ze niet alleen ingevroren erwtjes en maïs, maar ook jam en potten ingelegde groente. De mondiale eetcultuur is tegenwoordig zo veranderd dat onze ‘keuze’ wordt bepaald door beschikbaarheid en reclame, prijzen en winsten, tradities en trends. Met als gevolg dat overgewicht een groter probleem is geworden dan ondervoeding.

Ik ben geboren en voor het grootste deel getogen in Japan, als tweede van vier kinderen in een missionarisgezin. Mijn ouders zijn in 1955 geëmigreerd om Japanners te bekeren tot het lutheranisme. Maar in plaats daarvan wisten de Japanners ons te bekeren tot betere eetgewoonten.

We werden in eerste instantie verleid door de verrukkelijke Japanse vruchten (Japanse pruimen, kakivruchten, nashiperen, de alomtegenwoordige mandarijnen), maar wij, de kinderen, waren ook al meteen weg van het ‘avondeten’ (donburi, ramen) en de vissnacks, met name de gedroogde inktvis en de zalige, kleine, pikante visjes waarvan de graatjes zo heerlijk kraken als je je tanden erin zet. Mijn ouders kwamen uit het westen van Canada, dus meestal stonden er dingen op tafel die ik voor het gemak maar even ‘lutheraans eten’ noem: gehaktbrood, gebakken aardappels, stoofvlees. Maar ook bij hen drongen geleidelijk de Japanse gewoonten door. Het is niet makkelijk om zes monden te voeden van een missionarisseninkomen.

Vlees was duur en in die tijd waren er nauwelijks supermarkten in Nagoya of Tokio. Dus fietste mijn moeder elke dag langs allerlei lokale winkeltjes om kleine hoeveelheden vlees of vis te kopen en grote hoeveelheden groente – bladgroenten, bonen, van die heerlijke kleine aubergines – die ze vervolgens op afvallige wijze bereidde, door ze te sauteren of te stomen in plaats van te koken. De elektrische rijstkoker die je in elke Japanse keuken aantreft was op een gegeven moment ook niet meer weg te denken uit onze keuken, en hoewel het meestal mijn moeder was die kookte, stond ook mijn avontuurlijk aangelegde vader geregeld achter het fornuis.

Het eten dat ik nog altijd het meest associeer met mijn jeugd is de gebakken rijst van mijn vader. Hij sauteerde wat champignons, deed er alle restjes bij die hij in de koelkast kon vinden – twee hotdogs, een paar gekookte wortelen, een half kopje doperwten –,  voegde een paar kopjes gekookte rijst toe en deed uiteindelijk sojasaus over het geheel. Tot grote ergernis van mijn moeder was dat het lievelingseten van de kinderen.

Plaatsvervangend kok

In gezinnen met meerdere kinderen krijgt iedereen gewoonlijk een bepaalde rol toegedicht en op de een of andere manier had ik niet alleen de rol van plaatsvervangende zoon (degene die mijn vader riep als een bank verplaatst moest worden) maar ook die van plaatsvervangende kok, degene die de scepter zwaaide wanneer mijn ouders Bijbelles hadden of naar een clubje waren.

Ik kan me niet herinneren wanneer ik heb geleerd korstdeeg te maken, brood te kneden, een kip te braden of een witte basissaus te maken, maar lang voordat we in 1974 van Japan naar Minnesota verhuisden, dus toen ik nog geen vijftien was, kon ik zonder enig probleem een maaltijd op tafel zetten die iedereen lekker vond. En hoewel we in Minnesota meestal terugvielen op lutheraans eten, en allerlei gesuikerde cereals en frisdranken kochten – die wereldwijd het aantal mensen met obesitas of suikerziekte tot recordhoogten stuwen – aten we nog altijd veel meer groenten dan de mensen om ons heen.

Mijn vader, die nog nooit heeft betaald voor iets wat hij zelf kan maken of doen, bakende een grote tuin af achter ons huis bij de missie in St. Paul. Mijn oudste zus en ik moesten die tuin onderhouden. Het was zwaar werk in de hitte, maar we aten de hele zomer salades en in de winter hadden we niet alleen ingevroren erwtjes en maïs, maar ook jam en marmelade en potten ingelegde groente.