Tagesspiegel | Berlijn

We vinden dat ons eten gezond en fair trade moet zijn en dat er geen dier voor mag lijden. Maar wat gooien we nou echt in ons winkelwagentje? Een check van de vijf belangrijkste voedselmythes.

De mens is wat hij eet. De filosoof Ludwig Feuerbach wist dat in 1850 al. Tegenwoordig maken consumenten zichzelf maar al te graag wijs dat ze bij wat ze eten rekening houden met hun gezondheid, het milieu en het dierenwelzijn. Maar er gaapt een diepe kloof tussen wat ze denken en wat ze doen. Want ook al willen consumenten minder vlees eten, hun lievelingsgerechten zijn gebraden vlees, schnitzel en goulash. Ze willen voedsel dat gezond is, maar kopen kant-en-klaarmaaltijden. Er is bijna niets waarbij mensen zo veel tegen zichzelf jokken als bij voedsel.

Mythe 1

We eten minder vlees

Vegaburgers, groenteschnitzels en worst op basis van erwten: nog nooit had de consument zo veel keuze uit alternatieven voor vlees als nu. En steeds meer Duitse burgers beweren dat ze minder vlees willen eten. Maar volgens cijfers van de Bundesanstalt für Landwirtschaft und Ernährung (BLE) laat de consumptie van vlees in werkelijkheid elk jaar een lichte toename zien: in 2018 consumeerden de Duitsers 60,1 kilo vlees per hoofd van de bevolking. Dat is 2,4 procent meer dan vijf jaar eerder. En het is veel meer dan de hoeveelheid die de Deutsche Gesellschaft für Ernährung (DGE) aanbeveelt: het advies is hoogstens 600 gram vlees per week. Per jaar dus maximaal 31 kilo per persoon, de helft van wat er wordt geconsumeerd. En al neemt het aanbod van vegetarische gerechten in supermarkten en restaurants toe: voor de meeste mensen is het alleen een extraatje. Afhankelijk van wie je het vraagt, schommelt het aantal vegetariërs in Duitsland nog steeds maar tussen de 6 en 10 procent.