The Economist  | Londen

Stereotypen, hoe onjuist ze vaak ook zijn, hebben nut in Brussel, beweert een journalist van The Economist. ‘In een blok van 28 landen en meer dan 500 miljoen inwoners zijn grove karakteriseringen soms gewoon erg handig.’

De Brusselse bubbel is een kosmopolitische plek. Haar bewoners zijn over het algemeen bereisd en spreken vloeiend een handvol talen. Vaak zijn ze getrouwd met iemand uit een ander land. Hun kinderen sturen ze naar internationale scholen, waar het gekrijs op het schoolplein bestaat uit flarden Frans, Engels, Pools en nog zo wat talen. Op zo’n plek verwacht je dat nationale stereotypen het zwaar hebben, omdat iedereen zo langzamerhand wel aan elkaar gewend is geraakt. Niets is minder waar: eurocraten, diplomaten en hun aanhang wentelen zich in stereotypen waar een schrijver van televisiekomedies uit de jaren zeventig het schaamrood van op de kaken zou krijgen.

Hele regio’s worden afgeserveerd. Eenmaal op dreef worden de bubbelbewoners kleine Max Webers, die uitweiden over de diepgaande verschillen tussen het katholieke en protestantse Europa. ‘Club Med’-landen heten aan schulden verslaafde verspillers te zijn, terwijl hun noordelijke tegenhangers worden weggezet als moralistische zeurpieten. Bezwaren van nieuwe lidstaten worden afgedaan als puberaal gedram.

En oppert iemand afkomstig uit de bende van zes oorspronkelijke lidstaten een goed idee, dan wordt dat gezien als betutteling van de nieuw aangekomenen door een stoffige euroaristocraat. Ambtenaren uit bepaalde landen krijgen nooit de kans zich te bewijzen. Een voormalig EU ambtenaar beklaagde zich erover hoe stereotypen het denken in Brussel bepalen, om vervolgens op te merken dat ‘iedereen’ de Nederlanders met vrouwelijke genitaliën vergelijkt. En dat terwijl de Europese Unie zulke hardvochtige oordelen juist moest verzachten. In het hart van het verenigd Europa blijken ze onuitroeibaar.

In Brussel is een stereotype niet alleen een vooroordeel, maar ook een privilege