Nautilus | New York

De Duitse wiskundige Christian Hilbe onderzoekt samenwerkingsmodellen en vond uit dat wederkerigheid en gelijke kansen tot het beste resultaat leiden.

Vorig jaar werd bekend dat de Indiase miljardair Gautam Adani Australische steenkool gaat winnen. De Adani Group, een groot conglomeraat met een breed scala aan zakelijke belangen, wist deze deal volgens The New York Times te beklinken dankzij een succesvolle campagne om de sympathie te winnen van de inwoners van Queensland, de op een na grootste staat van Australië. Het project moet op korte termijn bijdragen aan de ontwikkeling van de energievoorziening in India en Bangladesh, waar duurzame energiebronnen vaak nog te duur zijn. In tegenstelling tot de VS en West-Europa ‘kan India niet anders’ dan steenkool blijven gebruiken, zei Adani tegen The Times.

Op de lange termijn bemoeilijkt dit de strijd tegen de opwarming van de aarde, omdat energie uit steenkool nu eenmaal een van de belangrijkste oorzaken van klimaatverandering is. Zo resulteert het project van één miljardair dus in een maatschappelijk dilemma op wereldschaal. India’s afhankelijkheid van steenkool bedreigt het behoud van publieke goederen zoals schone lucht, gunstige weerpatronen en nationale veiligheid, en ondermijnt de internationale samenwerking voor de ontwikkeling en invoering van duurzame energievormen.

De wiskundige Christian Hilbe van het Duitse Max Planck Instituut voor Evolutionaire Antropologie leidt een onderzoeksgroep die zich buigt over de omstandigheden waaronder mensen samenwerken. Ze maken voorspellende modellen over maatschappelijke dilemma’s zoals klimaatverandering, waarbij de samenwerkingsdynamiek te complex is om in een realistisch model te kunnen vatten. ‘We willen de essentie of de logica uit het probleem destilleren, terugbrengen tot een zo eenvoudig mogelijk model, en dat dan proberen te doorgronden,’ zegt Hilbe.

‘We beseffen heel goed dat we met het oplossen van dat simpele model het probleem van de klimaatverandering niet kunnen oplossen. Maar we willen inzicht krijgen in een paar van de strategische processen in het spel.’

Ik spreek Hilbe kort nadat hij de resultaten van het onderzoek in Nature gepubliceerd heeft. In het artikel ‘Social dilemmas among unequals’ [‘Sociale dilemma’s onder ongelijke partners’] komt Hilbe – met zijn coauteurs van Harvard, de University of Exeter Business School en het Institute for Science and Technology Austria – onder meer tot de conclusie dat extreme ongelijkheid partijen weerhoudt van samenwerking in het algemeen belang. ‘Onze bevindingen,’ concluderen de onderzoekers, ‘hebben implicaties voor beleidsmakers die zich bezighouden met de eerlijke en efficiënte verdeling van middelen en publieke goederen.’

In ons gesprek licht Hilbe de gedachte achter het model en de betekenis van de onderzoeksresultaten nader toe.

Hoe heeft u de gevolgen van ongelijkheid in een model gevat?

‘We namen een spel dat vaak als model voor samenwerking wordt gebruikt, het zogenaamde Public Goods Game, en keken wat er gebeurt als je verschillen aanbrengt in het spelersveld. Dat doe je normaal niet, normaal ga je uit van spelers die elkaars gelijken zijn. In de standaardopzet van het spel krijgt elke speler evenveel geld, zeg 10 dollar. Vervolgens mogen ze zelf beslissen hoeveel ze daarvan in de gezamenlijke pot steken. Ze weten dat elke dollar die zij erin stoppen wordt verdubbeld, waarna het eindbedrag onder alle spelers wordt verdeeld. De groep profiteert in dit spel optimaal als iedereen al zijn geld inlegt in de pot, want die wordt verdubbeld. Maar voor jou als individuele speler is het beter om die 10 dollar voor jezelf te houden en te hopen dat de rest wel samenwerkt. Want dan hou jij je 10 dollar, en je krijgt ook nog een deel van wat de anderen in de pot hebben gestopt.’