Financial Times  | Londen  

Schrijver en essayist Arundhati Roy geeft een rauw beeld van de tragedie die de pandemie in India veroorzaakt. Premier Modi krijgt er flink van langs: ‘Wie anders kan, zonder overleg met de deelstaatregeringen, beslissen dat een land van 1,38 miljard mensen binnen vier uur en zonder enige voorbereiding op slot gaat?’

Wie kan nog zonder een lichte huivering de term ‘viraal gaan’ gebruiken? Wie kan nog naar een voorwerp kijken – een deurknop, een kartonnen doos, een zak groenten – zonder zich voor te stellen hoe dat krioelt van die onzichtbare, niet-dode, niet-levende bolletjes vol zuignapjes die wachten op hun kans om zich aan onze longen vast te grijpen?

Wie kan eraan denken een onbekende te kussen, op een bus te springen of zijn kind naar school te sturen zonder angst te voelen? Wie kan aan een alledaags pleziertje denken zonder de risico’s daarvan in te schatten? Wie van ons is geen zelfbenoemde epidemioloog, viroloog, statisticus en profeet? Welke wetenschapper of arts bidt niet heimelijk om een wonder? Welke priester buigt niet – op zijn minst heimelijk – zijn hoofd voor de wetenschap? En wie is, zelfs nu dat virus zich verspreidt, niet blij met het toegenomen vogelgezang in de steden, de pauwen die op kruispunten dansen en de stilte aan de hemel?

Het aantal ziektegevallen is deze week wereldwijd tot boven een miljoen gestegen. Meer dan 50.000 mensen zijn al gestorven. Rekenmodellen wijzen erop dat dat aantal zal toenemen tot een paar honderdduizend, misschien nog meer. Het virus heeft zich vrijelijk langs de internationale handels- en kapitaalroutes verplaatst en de verschrikkelijke ziekte die het mee heeft gebracht heeft ervoor gezorgd dat mensen opgesloten zitten in hun land, hun stad en hun huis.

Maar anders dan de kapitaalstroom zoekt dit virus verspreiding, geen winst en daarom heeft het de richting van de stroom tot op zekere hoogte omgekeerd. Het heeft immigratiecontroles, biometrica, digitale surveillance en elke andere soort data-analyse aan zijn laars gelapt en tot nu toe het hardst toegeslagen in de rijkste, machtigste landen van de wereld, waar het de motor van het kapitalisme met een schok tot stilstand heeft gebracht.

Ver weg

Tijdelijk misschien, maar in elk geval lang genoeg om ons de tijd te geven de onderdelen na te kijken, een diagnose te stellen en te besluiten of we hem willen laten repareren of op zoek willen gaan naar een betere motor. De hoge pieten die deze pandemie managen, praten graag over oorlog.

Ze gebruiken de oorlog niet eens als metafoor, ze gebruiken hem letterlijk. Maar als het echt een oorlog was, wie zou daar dan beter op voorbereid moeten zijn dan de VS? Als de ‘soldaten in de frontlinie’ geen maskers en handschoenen nodig hadden, maar geweren, slimme bommen, bunkerbusters, onderzeeërs, straaljagers en kernbommen, zou er dan een tekort zijn?

Sommigen van ons kijken avond aan avond naar de persconferenties van de gouverneur van New York, aan de andere kant van de wereld, met een fascinatie die moeilijk te verklaren is. We volgen de statistieken, en horen de verhalen van overlopende Amerikaanse ziekenhuizen, van onderbetaalde, overwerkte verpleegkundigen die maskers van vuilniszakken en oude regenjassen moeten maken en alles riskeren om de zieken bij te staan.

Over staten die tegen elkaar op moeten bieden om beademingsapparaten te krijgen, over de dilemma’s van artsen die moeten beslissen welke patiënt er een krijgt en welke dan maar moet sterven. En we denken bij onszelf: ‘Mijn God, dat is Amerika!’