African Arguments | Londen

De coronapandemie en andere zoönotische virusuitbraken die voortvloeien uit wildconsumptie zijn wereldwijde uitdagingen met een lokale oorsprong. Als we die niet op een holistische manier tegemoet treden, kunnen de menselijke, sociale, economische en milieukosten flink uit de hand lopen.

Bushmeatconsumptie [vlees van in de wil­der­nis ge­do­de, veel­al be­dreig­de die­ren] in Centraal-Afrika heeft een funeste invloed op het complexe samenspel van biodiversiteit, lokale economieën, natuurbehoud, gemeenschapswelzijn en volksgezondheid. De wildconsumptie drijft op diepgewortelde gewoontes, snelle groei van de stedelijke bevolking en economische kansen. Wereldwijde actie om de impact van covid-19 te beperken kan alleen succesvol zijn wanneer regeringen en bevolkingen samenwerken. Maar het opstellen van een langetermijnbeleid om zoönose (ziektes die van dier op mens overgaan) te bestrijden heeft alleen zin als de door mensen veroorzaakte milieuverstoring en culturele factoren worden meegewogen.

Van alle nieuwe besmettelijke ziekten is 75 procent zoönotisch. SARS (geassocieerd met vleermuizen en civetkatten), MERS (van dromedarissen en kamelen overgesprongen op mensen), de varkensgriep, de vogelgriep, salmonella, de gekkekoeienziekte, hondsdolheid, lyme en de builenpest (die in de veertiende eeuw zo’n vijftig miljoen Europese doden veroorzaakte) zijn slechts een paar voorbeelden van zoönotische ziektes die al eeuwenlang bestaan. Afhankelijk van het virus, de bacterie of parasiet worden ziektes overgedragen via interacties met levende of dode dieren, dierlijk afval of dierlijke producten.

Congolese jager met een vers gevangen krokodil. – © Kris Pannecoucke / HH