The Guardian | Londen

Hoe wilde flora en fauna bezit nemen van oude fabrieksterreinen, die een grotere biodiversiteit ontwikkelen dan de meeste plekken die we als echte natuur beschouwen.

Met zijn nog kale, winterse bomen vormt Lordship Road in de Londense wijk Hackney een stedelijk landschap van asfalt, baksteen en beton. Naar het noorden toe domineren twee torenflats de horizon. Terwijl ik hier over de stoep loop met het achtergrondgeluid van vrachtwagens die tussen verkeersdrempels opschakelen, kan ik me moeilijk voorstellen dat rechts van me, achter het hek met prikkeldraad, verborgen achter een hoge, met gras begroeide dijk, een natuurreservaat ligt dat een grotere biodiversiteit kent dan de meeste plekken die we als echte natuur beschouwen.

Zodra je je in de Woodberry-wetlands begeeft, gaat het achtergrondgeluid over in een enthousiast vogelkoor. Het hoge getoeter van de meerkoeten die het hele jaar door op het water van dit vroegere drinkwaterreservoir leven, wordt afgewisseld door het schrille gekwetter en gezang van roodborstjes, merels, mussen, groenvinken, parkieten, winterkoninkjes, graspiepers, kool-, staart- en pimpelmezen en nog veel meer vogelsoorten. Dit weidse terrein, dat elf hectaren beslaat, werkt kalmerend, als een diepe zucht, en het raadselachtige geritsel en de levendige bedrijvigheid van de natuur die heerlijk zijn gang gaat, hebben iets geruststellends.

Het drinkwaterreservoir, dat in 1833 werd aangelegd, werd bestempeld tot wetlands-gebied, ontwikkelde rijke rietlanden en ging in 2016 open voor het publiek. Dit is het resultaat van investeren in onze ‘onverwachte natuur’, zoals natuurschrijver en televisiemaker Stephen Moss het noemt. ‘Mijn definitie daarvan is tamelijk simpel,’ zegt hij. ‘Als je boerenland en tuinen buiten beschouwing laat, is ‘onverwachte natuur’ elke plek die oorspronkelijk voor menselijk gebruik is ingericht en waar de wilde fauna ofwel is gebleven of zich later heeft gevestigd.’

Tate Modern
Van eeuwenoude ruïnes tot in onbruik geraakte spoorlijnen, het Britse landschap wemelt van dit soort onbedoelde toevluchtsoorden. Tate Modern, aan de Theems, met zijn nestelende slechtvalken, geldt als onverwachte natuur. Net als benzinestations langs de snelweg, waar, zoals elke vogelliefhebber weet die graag kwikstaartjes spot, meer voedsel voor vogels te vinden is dan op de besproeide akkers ernaast. Stenen op kerkhoven trekken meer dan 600 verschillende korstmossen aan – een samenstelling van algen en schimmels die in symbiose leven – en die zijn soms honderden jaren oud. ‘Zulke plekken zijn van oorsprong nooit bedoeld geweest voor wilde fauna of flora,’ zegt Moss.

In een land waarin landbouwbedrijven bijna 57 procent van al het land innemen, verdient het piepkleine, niet in kaart gebrachte stukje onverwachte natuur bescherming, vindt hij. Hij citeert milieu-activist Chris Baines, die heeft gezegd dat het voor de biodiversiteit van een akker het beste is om er een woonwijk op te bouwen. ‘Dat kinkt misschien gek, maar hij meende het volkomen serieus,’ schrijft Moss in zijn nieuwe boek, The Accidental Countryside. ‘De meeste boerenakkers zijn woestijnen van monocultuur, vrijwel zonder in het wild levende dieren, terwijl de Britse tuinen vaak onderdak bieden aan bosvogels en andere dieren.’