The Guardian | Londen

Vanaf het moment dat Donald Trump tot president van de Verenigde Staten is verkozen, vrezen internationale commentatoren het eind van de ‘trans-Atlantische relatie’. Madeleine Schwartz toont in dit artikel aan dat het trans-Atlantisch bondgenootschap sowieso niet meer dan een handige mythe was.

Als je de krantenkoppen op hun woord zou geloven, zou je denken dat de westerse wereld in een vrije val is beland. Tientallen tijdschriftartikelen, opiniepagina’s en blogposts vertellen je dat de orde van na de Tweede Wereldoorlog – van D-day tot gisteren – is gebouwd door Amerikanen en Europeanen die de idealen van vrede, vrijheid en democratie deelden. Het systeem werkte goed totdat Donald Trump langskwam en het met de grond gelijk maakte alsof hij de fundamenten voor een nieuw casino legde.

Deze veronderstelde crisis is misschien het belangrijkste wat de pers in de Verenigde Staten en Europa bindt. ‘Is de trans-Atlantische relatie dood?’ vroeg The New York Times in januari 2018. Een paar weken later klonk de krant al veel beslister: ‘De orde van na de Tweede Wereldoorlog wordt belaagd door de mogendheden die haar hebben opgebouwd.’ In Duitsland, het hart van het Europees-Amerikaanse bondgenootschap, wordt over weinig anders gesproken als het om buitenlandbeleid gaat. Een cover van het Duitse weekblad Der Spiegel toonde [vorig jaar] een hand die de middelvinger opsteekt, waarbij de vinger een klein Trumpje is. Twee redacteuren van de Duitse krant Die Zeit betoogden dat politici moesten accepteren dat de relatie voorbij is. Te velen, schreven ze, ‘weigeren deze realiteit onder ogen te zien. In plaats daarvan zoeken ze hun toevlucht tot de meest acrobatische redeneerkunst.’

Atlanticus

Het idee dat de stabiliteit en voorspoed van de wereld in de eerste plaats worden bepaald door een partnerschap van Europeanen en Amerikanen wordt atlanticisme of transatlaticisme genoemd, en de mensen die zich daarom bekommeren zijn ervan overtuigd dat Trump erop uit is korte metten te maken met het bondgenootschap. Want in de ogen van de politici, hoogleraren, denktankbollebozen en journalisten voor wie ‘atlanticus’ een eretitel is, is de beëindiging van dit partnerschap niet alleen maar een geopolitieke kwestie, maar ook een bedreiging van het liberalisme en van iedere hoop op wereldwijde politieke beterschap. Democratie, vrijheid van meningsuiting, antitotalitarisme, grondwettelijkheid en vrijhandel waarvan alle deelnemers rijk worden – het zijn allemaal idealen die volgens de atlantici staan of vallen met de nauwe band tussen de VS en Europa. Zoals het de transatlantische relatie vergaat, zo vergaat het de mogelijkheid van westerse vooruitgang.

Kern van de transatlantische crisis is de nasleep van de Amerikaanse poging om Europa na de Tweede Wereldoorlog te herbouwen via drie instituties: Bretton Woods, het Marshallplan en de NAVO. Dit waren de fundamenten van de zogeheten ‘post-wereldorde’, een programma om Europa te stabiliseren en de opkomst van nieuwe vormen van totalitarisme te voorkomen. (‘Transatlanticisme’ klinkt beter dan ‘denazificering’.)

Voor de atlantici waren deze instituties niet alleen de manier om Europa na 1945 vorm te geven, maar ook een blijk van de mogelijkheden van een idealistische Amerikaanse mogendheid. Het hoogtepunt van de relatie was het einde van de Koude Oorlog, toen de kansen die het Westen hadden vormgegeven plotseling beschikbaar kwamen voor het Sovjetblok en daarmee de atlanticistische strategie onderschreven. Atlanticisme kon een manier zijn om het Westen uit te breiden, zoals sommige atlantici voorstelden in de roes na de val van de Berlijnse muur. Het atlanticisme was niet meer uitsluitend een reactie op crises, maar ook een manier om de wereld en de plaats van de VS daarin te concipiëren.