360 | Amsterdam

Na de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog werd de tot puin gebombardeerde stad Warschau overgenomen door bomen en planten. Deze nieuwe orde van ‘mensen, katten en grassen’ die zich weer ‘in de spleten van de stad nestelen’ geeft ‘hoop, gedreven door de oerkracht van het leven, hoop op vernieuwing en troost’ schrijft de Poolse schrijver, dichter en botanicus Urszula Zajączkowska. Aan de hand van een plantkundige en fotografen die de naoorlogse puinhopen vastlegden, reconstrueert ze uit de brokstukken het begin van een nieuwe relatie tussen mens en natuur.

Kun je de stad beschouwen als een lichaamsdeel van de natuur? Als een complex eco-systeem? Als een domein van gemêleerde krachten en wisselwerkingen, waarin onophoudelijk nieuwe lacunes en nissen van het vrije leven verdwijnen en weer tevoorschijn komen? Kun je de stad beschouwen als een levend organisme dat zich van verwondingen, vernielingen en oorlogen moet herstellen? Ja, zo kun je ook de stad beschouwen.

De lucht – gevuld met atomen – is in steden voort-durend in beweging. Gedreven door in de ruimte glijdende menselijke lichamen wervelen de atomen intens. Het licht verspreidt zich en valt in het glas uiteen. Het is nog steeds hetzelfde licht dat acht minuten eerder uit de kern van de Zon is ontsnapt. In steden, in deze wirwar, gaat het leven door en zet de energie zich om, wordt ze door de hete lucht naar beneden getrokken of condenseert ze in de plassen. Dit proces voltrekt zich echter in een iets andere vorm dan in het bos of aan de rivier, maar niettemin met volle kracht.

Insecten, ratten, onkruid en viooltjes in potten, van ademlucht doortrokken atmosfeer, vol lawaai en sterk verzadigd van menselijke aanwezigheid. In steden worden ook vrij uitzonderlijke temperatuurverschillen gemeten, veroorzaakt door oververhitte Plattenbau en abnormale want kunstmatig aangelegd om zo onzichtbaar mogelijk te zijn – waterafvoer. Vanuit de natuur bezien is dit alles nieuw, toch hoort het bij het beeld van het leven met een eigen polsslag, zichzelf genererend en expressief, met uiteenlopende transformaties.

En dan gebeurt het ineens dat dit systeem ontploft, in duizend stukken uiteenspat, van binnenuit en vanuit de verre hemel explodeert. Oorlog. Mensenoorlog. Opengescheurd worden de stadsweefsels, verkruimeld tot elementaire deeltjes, tot stof en losse bakstenen, zodat na de oorlog niets lijkt op hoe het vroeger is geweest. Zo kreeg het versplinterde Warschau, bedekt met kruimels van die materie, een nieuw bestaan in de geschiedenis van haar ecosysteem. Alle onderlinge verhoudingen tussen de levende organismen worden door de dood of door een verlaten en verdwaald mengsel van slib en puin onderbroken.

Een nieuwe orde

Toen de verwoesting voorbij was, begon de stad – in haar verbrijzelde, warrige vorm, maar nog steeds door levende organismen bevolkt – zich langzaam te herstellen, haar wegen opnieuw bij elkaar te voegen, zichzelf terug te vinden, frisse paden af te bakenen. Mensen, katten en grassen begonnen zich weer in de spleten van de stad te nestelen, zorgvuldig het gebied opvullend, een nieuwe orde scheppend.

Deze kortstondigheid van het beeld van het naoorlogse Warschau, haar gebroken veelvlakken met licht- en schaduweffecten, bleken niet alleen voor documentalisten of fotografen, maar ook voor plantkundigen van een uitzonderlijke waarde te zijn. Ze wisten die stad als een nieuw wezen te beschouwen, vol met bijzondere verschijnselen, aparte ruimtelijke vormen waar in onvruchtbare spleten langzaam het leven binnenstroomde, precies zoals bij het opnieuw betrekken van een plaats van een brand of een berg rotsen en losgerukte aarde van een puinhelling na een lawine.

Botanicus professor Roman Kobendza publiceerde in 1949 in het tijdschrift van de Wetenschappelijke Vereniging van Warschau zijn artikel Ruderale plantenrijk in de puinhopen van de Poolse steden. Om dit werk te doen ontstaan, moest deze botanicus veel bestuderen, overal naartoe en alles bekijken; later heeft hij vast en zeker niet alles opgeschreven.

Daar lees ik over de planten van Warschau die gespot werden vlak nadat de oorlog was afgelopen, dat wil zeggen precies aan het begin van hetgeen wat begon te herleven, wat hier wilde blijven leven, en wat tenslotte nooit ophield dit te willen, zoals zichtbaar werd aan de hand van (alsof er niets gebeurd was) het uitkiemende Warschause onkruid. Terwijl de hoog-leraar die flora ontdekte en de planten die uit scheuren in de verbrijzelde stad groeiden markeerde, trokken andere stadschroniqueurs langs vrijwel dezelfde plekken met hun camera’s om deze al even haastig op beeld vast te leggen. Ze gingen alle hoeken en gaten van versplinterde gebouwen in en beklommen de puinhopen. Verrassend genoeg vertelt hun weergave van de stad – ook al afwijkend in vorm: fotografie versus botanische verzamelingen – een vergelijkbaar verhaal van vernietiging, lijden en moeizaam herstel van de ruimte en van hetgeen wat daar heeft overleefd: mensen, dieren en planten.