Financial Times  | Londen  

Het beeld van de grootse componist als dat van een door doofheid gekweld en altijd fronsend genie, is een beetje overdreven.

In de vroege avond van 7 mei 1824 ging Beethoven naar het Weense Theater am Kärntnertor om de musici succes te wensen met de première van wat zijn beroemdste compositie zou worden: de Negende Symfonie, met zijn toonzetting van Schillers An die Freude. Het voorval tijdens die première dat nog steeds tot onze verbeelding spreekt, is ons overgeleverd door de Engelse muziekcriticus George Grove. Ettelijke decennia na dato beschreef hij wat de zangeres Caroline Unger hem over die première had verteld: ‘Na afloop van het stuk stond Beethoven nog met zijn rug naar het publiek de maat te slaan, tot zij hem omdraaide of aanspoorde zich om te draaien en hij zag dat het publiek enthousiast aan het applaudisseren was.’

Scherper kan de tragiek van Beethovens doofheid niet worden geïllustreerd. De gedachte dat de componist van deze grootse symfonie zijn eigen muziek niet meer kon horen, heeft sterk bijgedragen aan de romantische beeldvorming van Beethoven als opvliegende misantroop die tegen de klippen op bleef componeren.

Maar dat weerspreekt Theodore Albrecht, hoogleraar musicologie en de redacteur van de Konversationshefte: de schriften waarin Beethoven gesprekken voerde toen zijn gehoor daar te slecht voor was geworden. Die schriften geven een weerslag van, in Albrechts woorden, ‘zijn dagelijks leven, een kroniek van hoe hij leefde en met wie hij omging’. Dichter bij de componist kunnen we niet komen.

Dat Beethovens gehoor in de loop van zijn leven sterk achteruitging, staat buiten kijf. Al op zijn eenendertigste, in oktober 1802, gaf hij uiting aan zijn wanhoop in de hartverscheurende brief die bekend is komen te staan als het ‘Heiligenstädter Testament’: ‘Ik was al jong gedwongen mij af te zonderen, mijn leven in eenzaamheid door te brengen. (…) Ik kon niet tegen mensen zeggen: spreek harder, schreeuw, want ik ben doof – ach, hoe kon ik ruchtbaarheid geven aan het falen van dat ene zintuig dat bij mij juist scherper had moeten zijn dan bij ieder ander.’

Een bezoeker in het museum Fundacio Joan Miro in Barcelona bekijkt het kunstwerk Beethoven’s Trumpet van de in januari overleden conceptuele kunstenaar John Baldessari uit 2007. © EPA / Andreu Dalmau