New Statesman  | Londen

De Britse filosoof John Gray bekijkt de huidige tijd onder een loepzuiver vergrootglas. In de veelheid van politieke en filosofische analyses of vergezichten hoort hij bij de stemmen die denken dat het keerpunt bereikt is. Aan ieder de taak om na te denken over het hiernamaals van 2020.

De lege straten zullen weer vol raken, en we zullen onze door schermen verlichte holen uitkomen, opgelucht knipperend tegen het daglicht. Maar de wereld zal er anders uitzien dan we ons voorstelden in wat we dachten dat normale tijden waren. Dit is geen tijdelijke verstoring van een verder stabiel evenwicht: de crisis die we nu doormaken is een keerpunt in de geschiedenis.

Het hoogtepunt van de globalisering ligt achter ons. Van een economisch systeem gebaseerd op wereldwijde productie en lange aanvoerketens gaan we over op een systeem met minder onderlinge verbondenheid. Een levenswijze die uitgaat van continue mobiliteit komt hortend en stotend tot stilstand. Ons leven zal fysiek beperkt en meer virtueel zijn dan voorheen. Er ontstaat een gefragmenteerdere wereld die in verschillende opzichten misschien veerkrachtiger is.

De ooit zo formidabele Britse staat wordt in snel tempo en op ongekende schaal heruitgevonden. Met de bevoegdheden die de door het parlement goedgekeurde noodwet haar biedt heeft de regering de oude economische denkbeelden overboord gegooid. Na jaren van bezuinigingen staat de geplunderde NHS met de rug tegen de muur, en hetzelfde geldt voor de krijgsmacht, de politie, het gevangeniswezen, de brandweer, zorgverleners en schoonmakers. Maar dankzij de altruïstische toewijding van de mensen in die organisaties zal het virus in bedwang gehouden worden. Ons politieke systeem zal de crisis overleven. Niet veel landen hebben dat geluk. Overal proberen regeringen zich overeind te houden op het smalle pad tussen het onderdrukken van het virus en het verwoesten van de economie. Vele zullen struikelen.

Progressieve denkers zien de toekomst als een verfraaide versie van het recente verleden. Ongetwijfeld kunnen ze zo nog een schijn van redelijkheid ophouden. Maar dat toekomstbeeld ondermijnt ook datgene dat nu onze belangrijkste eigenschap is: het vermogen om ons aan te passen en andere manieren van leven te creëren. De taak die voor ons ligt is om economieën en samenlevingen op te bouwen die duurzamer en menselijker zijn ingericht dan de samenlevingen die waren overgeleverd aan de anarchie van de wereldmarkt.

Lokalisme

Dit betekent geen verschuiving naar kleinschalig lokalisme. De bevolkingsaantallen zijn te groot om lokale zelfvoorzienendheid haalbaar te maken en het grootste deel van de mensheid is niet bereid terug te keren naar de kleine, gesloten gemeenschappen van het verdere verleden. Maar de hyperglobalisering van de afgelopen decennia komt ook niet terug. In het economische systeem dat na de financiële crisis van 2008 was opgekalefaterd, heeft het virus dodelijke zwakheden blootgelegd. Het liberale kapitalisme is kapot.

Met al zijn mooie woorden over vrijheid en eigen keuzes was het liberalisme in de praktijk een experiment waarin traditionele bronnen van maatschappelijke cohesie en politieke legitimiteit werden ontmanteld en vervangen door de belofte van een stijgende materiële levensstandaard. Dat experiment is nu afgelopen. Om het virus te beheersen is een economische lockdown nodig die alleen tijdelijk kan zijn, maar wanneer de economie weer opstart, zal dat in een wereld zijn waar regeringen actief de markt intomen.

Dat zo’n groot deel van de medische artikelen die de wereld nodig heeft uit China afkomstig is – of uit exclusief welk ander land ook – wordt dan niet meer geaccepteerd. De eigen productie in deze bedrijfstak en op andere gevoelige terreinen zal weer gezien worden als een kwestie van nationale veiligheid. De gedachte dat een land als Groot-Brittannië de landbouw zou kunnen afschaffen en voor voedsel afhankelijk kan zijn van import, zal afgedaan worden als het onzinnige idee dat het altijd is geweest. De luchtvaartindustrie zal krimpen omdat mensen minder reizen. Hardere grenzen zullen een blijvend onderdeel van het mondiale landschap worden. Overheden kunnen niet langer alleen maar naar economische efficiency streven.

De vraag is: wat kan de stijgende materiële levensstandaard als basis voor de samenleving vervangen? Een van de antwoorden die groene denkers daarop hebben gegeven is wat John Stuart Mill in zijn Principles of Political Economy (1848) een ‘economie van de stationaire staat’ noemde. Daarin zou het vergroten van productie en consumptie niet langer het belangrijkste doel zijn en de bevolkingsgroei zou beperkt worden.