The Nation  | New York

Tijdens de lockdown is ‘de belangrijkste basis van een groot deel van de hedendaagse culturele sector verwoest, namelijk live, persoonlijk contact’, schrijft essayist William Deresiewicz. En het verdienmodel van de kunstensector was al geen vetpot.

Om te begrijpen wat de impact van de pandemie is voor kunstenaars en de kunst, moeten we eerst inzien dat deze nieuwe crisis een culturele sector heeft getroffen die al ernstig verzwakt was door twintig jaar aanvallen uit digitale hoek. Die aanvallen hebben in feite de vorm aangenomen van demonetisering: het geld is uit de kunst gehaald. Voor alle vormen van content die via internet kan worden verspreid – muziek, tekst, stilstaande beelden, video – zijn de prijzen sterk gedaald, vaak tot het nulpunt. In veel culturele sectoren zijn de belangrijkste inkomstenbronnen afgebrokkeld: bij musici de verkoop van opgenomen muziek, bij schrijvers de freelancehonoraria en boekvoorschotten, bij kranten en tijdschriften de advertentie-inkomsten, bij de filmindustrie de kaartverkoop en de verkoop en verhuur van dvd’s.

Om dat op te vangen hebben kunstenaars en culturele instellingen geleerd hun inkomsten te zoeken in zaken die niet gedigitaliseerd kunnen worden: fysieke objecten en live-ervaringen, vooral live-ervaringen. Musici gaan eindeloos op tournee. Schrijvers houden voorleesavonden en lezingen, geven les, worden gastschrijver. Ook voor beeldend kunstenaars als illustratoren, animatiefilmmakers en striptekenaars zijn cursussen en workshops onmisbaar geworden. Kranten en tijdschriften maken hun merk te gelde met het ene live-event na het andere. Er zijn allerlei soorten festivals (muziek, film, comedy, boeken) opgekomen, net als kunstbeurzen (tegenwoordig belangrijke gelegenheden voor de verkoop van exclusieve beeldende kunst) en fanbeurzen zoals Comic-Con [grote conferentie voor strip- en tekenfilmfans] (die voor veel creatieve sectoren van groot belang zijn).

Basis verwoest

Al die optredens en evenementen kunnen nu natuurlijk niet doorgaan. De crisis heeft niet alleen theaterzalen geraakt, maar de sluiting van die zalen is ook rampzalig geweest voor orkesten en ensembles, opera-, dans- en toneelgezelschappen en de artiesten die daarvoor optreden. Niet alleen musea, galeries en andere kunstruimtes zijn getroffen, ook de kunstenaars die daar hun werk tonen. Zo is de belangrijkste basis van een groot deel van de hedendaagse culturele sector verwoest, namelijk live, persoonlijk contact. En zelfs de enige kunstdiscipline die vóór de pandemie niet was verzwakt, de enige creatieve arena die in de eenentwintigste eeuw financieel kon bloeien, televisie, heeft veel producties uitgesteld, zodat tienduizenden mensen hun werk zijn kwijtgeraakt.

Maar het verlies aan inkomsten uit live-evenementen is nog maar het begin van deze catastrofe. Artiesten zijn van oudsher gewend hun kostje bij elkaar te scharrelen met meerdere parttime inkomstenbronnen. Zoals een schrijver het formuleerde: je stapelt een stel kleine baantjes op. Met een fulltimebaan houd je meestal niet genoeg tijd over om je kunst te maken en kun je ook niet telkens weg voor een tournee, gastkunstenaarschap, voorstellingen in andere steden, dingen die nodig zijn voor je carrière. Dus doen artiesten veel eenmalige projecten en kortetermijnopdrachten: in commissies, met commercieel werk, als invalleerkracht.

Dit zal waarschijnlijk voor een groot deel opdrogen wanneer bedrijven en instellingen, waaronder universiteiten, de broekriem gaan aanhalen. (Voor kunstopleidingen en -afdelingen ziet de toekomst er in een tijd van afstandsonderwijs waarschijnlijk niet rooskleurig uit.) Kunstenaars rijden ook voor Uber, werken in koffiebars, in de bediening, achter de bar en doen veel andere soorten laagbetaald dienstverlenend werk. Veel daarvan is nu onmogelijk of is streng ingeperkt.