Financial Times | Londen

De English National Opera, een van de grootste Britse operagezelschappen, geeft drive-inoptredens. De Financial Times is niet erg enthousiast over het concept.

Ik heb als millennial de gouden tijd van de drive-inbioscoop niet meegemaakt. Toch lijkt de English National Opera (ENO) te denken dat het een levensvatbaar concept is. Wanneer in september de eerste drive-inoperavoorstellingen in Londen in première gaan, zal ik eindelijk kunnen opdraven in mijn elektrische auto, mijn arm zedig om de schouders van mijn verloofde slaan en genieten terwijl de Koningin van de Nacht figuurlijk het dak van de tent zingt.

Al voordat het coronavirus toesloeg, speelde de ENO met het idee om op deze manier een nieuw publiek aan te boren, maar ze zet er nu vaart achter, in de hoop dat er voor september een versoepeling komt van de lockdown. De eerste twee voorstellingen worden Die Zauberflöte van Mozart, met haar vrijmetselarij-intrige, en La Bohème van Puccini. Het toeval wil dat de heldin van deze laatste opera, Mimi, sterft aan een longziekte, dus dat is eigenlijk wel… relevant.

Toch zie ik er de charme niet zo van in. Het ergste is niet dat de zangers vanwege de coronaregels op twee meter afstand van elkaar moeten staan, wat de eerste social-distanceromance uit de geschiedenis van de opera zou opleveren (of het moet de afstand tussen Leonore en haar gevangen echtgenoot in Fidelio zijn geweest). Mijn voornaamste bezwaar is akoestisch: in de opera gaat het toch echt om die hemelse klanken. Het is contraproductief om dat van achter een autoruit te beleven – alsof je naar een concert gaat met een integraalhelm op.

Relevantie

De grootste kracht van het medium opera is dat het zo irrelevant is. De regisseurs, dirigenten, zangers en musici beseffen maar al te goed dat deze kunstvorm, die in de negentiende eeuw zijn grootste populariteit bereikte, voortdurend zijn bestaansrecht moet bevestigen. Dat geldt nog sterker voor de aanspraken die de opera doet op publieke middelen.

Met 24 miljoen pond subsidie per jaar is het Royal Opera House de grootste ontvanger van de door het Arts Council England verdeelde cultuurgelden. De ENO, waar artistiek leiders elkaar de laatste jaren in snel tempo afwisselden en de subsidiekraan zelfs dicht dreigde te gaan, is zo mogelijk nog meer op zoek naar relevantie. Gelukkig is de industrie prima in staat zich aan het coronatijdperk, en dat erna, aan te passen.

Onlangs voerde de Metropolitan Opera in New York een ‘at home’-gala op, waar de grootste operasterren optraden, staand voor hun boekenkast, of, in het geval van Joyce DiDonato met haar prachtige vertolking van Händels Ombra mai fu, voor hun Grammy’s. Ook kon je de fenomenale dirigent van de Metropolitan, Yannick Nézet-Séguin, het huisorkest en koor zien dirigeren via vijftig afzonderlijke livestreams in ‘Va pensiero’ uit Verdi’s Nabucco, een koorzang over het verloren vaderland en warme herinneringen die mij, nu meer dan ooit, kippenvel bezorgde. Alles verliep vlekkeloos – een uitmuntende technische en organisatorische prestatie.