Foreign Policy  | Washington D.C.

Canan Kaftancioglu is een sleutelfiguur in de Turkse oppositie tegen president Erdogan. Ze is een linkse feminist die motorrijdt en de lhbti-beweging steunt. Maar ze spreekt ook met de gematigde religieuzen die haar partij eerder nog had afgewezen.

In 2019 lukte het de bijna altijd verdeelde oppositie in Turkije eindelijk om zich te herpakken en de heersende Partij voor Rechtvaardigheid en Ontwikkeling (AKP) bij lokale verkiezingen in meerdere grote steden te verslaan. De sympathieke nieuwe burgemeester van Istanboel, Ekrem Imamoglu, kreeg daarvoor de meeste lof toegezwaaid. In de internationale media was er slechts weinig aandacht voor de vrouw achter de man de linkse, motorrijdende, feministische, lhbti-gezinde Canan Kaftancioglu, districtshoofd van de Republikeinse Volkspartij (CHP) in Istanboel.

In Turkije wordt ze echter wel degelijk opgemerkt door haar aanhangers en critici. Kaftancioglu wordt algemeen beschouwd als een sleutelfiguur in de succesvolle strijd van haar partij tegen president Recep Tayyip Erdogan. Ze is zowel een openlijke iconoclast als iemand die onvermoeibaar achter de schermen werkt – en ze staat met haar 48 jaar symbool voor een nieuwe generatie binnen een partij die van oudsher wordt gedomineerd door oudere mannen.

Haar politieke stijl is een impliciete afwijzing van de nationalistische factie binnen haar eigen partij, die met hart en ziel is toegewijd aan de oprichter van de republiek, Mustafa Kemal Atatürk, maar door velen wordt geassocieerd met vijandigheid jegens zowel minderheden als uiterlijk vrome moslims. Kaftancioglu deinst er niet voor terug zich te keren tegen een mentaliteit die ooit de besluitvorming binnen de partij domineerde, maar nu algemeen als achterhaald wordt beschouwd.

Mikpunt

Die vrijmoedige manier van denken, die ze later zou ombuigen naar een nieuwe, electorale strategie gericht op verzoening, heeft tot de gestage opmars van de CHP geleid. Maar het heeft haar ook tot het mikpunt van Erdogans woede gemaakt.

Kaftancioglu groeide in de jaren zeventig en tachtig op in de Turkse provincie Ordu, aan de Zwarte Zee, als dochter van een huisvrouw en een onderwijzer met een kleine beurs. ‘Ik ben een van de honderdduizenden Turkse burgers die geboren zijn in een dorp, opgegroeid zijn in armoede, maar die geworden zijn wie ze nu zijn dankzij de gelijke kansen die de republiek bood,’ schreef ze als antwoord op schriftelijke vragen van Foreign Policy.