The Economist | Londen

De Japanse Studio Ghibli-animator Hayao Miyazaki, bekend van onder andere de Oscar winnende film Spirited Away, is geobsedeerd met vliegen. Maar vooral met het terugvinden van verloren hoop.

Hayao Miyazaki heeft zijn hele carrière lang fantastische werelden vol buitenissige schepsels verzonnen. Zijn film Spirited Away (2001), die een Oscar voor beste animatiefilm kreeg, speelt in een magisch rijk dat wordt geregeerd door een met juwelen behangen heks en bevolkt door pratende kikkers, duiveltjes van roet en een spookachtige verschijning die goudklompjes uit zijn vingertoppen schudt. In de huidige pandemie is vooral één kenmerk van Miyazaki’s escapistische films bedwelmend: zijn obsessie met vliegen.

Vliegen zit Miyazaki in het bloed. Hij werd in 1941 geboren in Tokio, waar zijn vader een bedrijf leidde dat tijdens de Tweede Wereldoorlog onderdelen voor Japanse gevechtsvliegtuigen maakte. Als jongen besteedde hij vele uren aan het uitvinden van zijn eigen vliegmachine, ’s nachts droomde hij dat hij boven de stad zweefde. De meeste fantasieën worden met de leeftijd meer grondgebonden, maar Miyazaki bedacht als volwassene een heel eskader wonderlijke vliegende machines die de persoonlijkheid van hun piloot belichaamden. In Castle in the Sky (1986) zoemt een ongeregelde piratenfamilie rond in ‘flaptors’, apparaten in de vorm van reusachtige muggen met doorzichtige, flapperende vleugels.

Vliegen speelt een centrale rol in de films van Hayao Miyazaki. – © Murugiah