L’Orient-Le Jour  | Beiroet

Na de explosie, die een groot deel van de Libanese hoofdstad heeft verwoest, roept Fifi Abou Dib van L’Orient-Le Jour het volk op de machthebbers ter verantwoording te roepen.

‘Zeg ons niet meer: “Houd moed!”, maar zeg ons: “Wees boos!”’ Wat een bewonderenswaardige hartekreet was dat onlangs van Josyane Boulos, actrice en oprichter van een ngo voor kinderen met een handicap.

Zet die opstandige boodschap eens af tegen de woorden van de Iraanse minister van Buitenlandse Zaken Mohammad Javad Zarif, die de steun uitsprak van zijn land voor het ‘veerkrachtige volk’ van Libanon. Ja, daar schiet het veerkrachtige volk wat mee op. Weg met die noodlottige veerkracht die onze leiders zo goed uitkomt, onze leiders die vertrouwen op ons vermogen om ons weer op te richten en de boel weer op te knappen, telkens wanneer we door hun verraad, hun domheid en hun avonturisme met de rug tegen de muur zijn gezet.

De pletwals van het leven in dit land, dat ons zo veel belooft en ons van zo veel berooft, heeft ons geleerd om telkens weer de schouders eronder te zetten, om weer op te bouwen wat vernietigd is, om te genezen wat gewond is geraakt, om te begraven wat dood is, om het leven weer op te pakken waar het was gestopt.

‘Als je verliest, maar je tot een nieuw begin kunt bewegen, en aan geen enkel mens van je verlies vertelt, dan zul je een man zijn, mijn zoon’: beroemde dichtregels van Rudyard Kipling die ouders al eeuwen in kinderkamers ophangen, alsof het hier om iets onvermijdelijks gaat, alsof ze maar beter zo snel mogelijk kunnen wennen aan een leven van vallen en opstaan, van een eindeloos telkens opnieuw beginnen dat alle vooruitgang tegenhoudt. ‘Dan zul je een Libanees zijn, mijn zoon’, had de auteur van Het jungleboek beter kunnen dichten.

Nu sinds enkele dagen het metalen gekletter in de straten klinkt dat hoort bij de nasleep van een ramp, een geluid dat ons zo vertrouwd is doordat onze ruiten zo vaak zijn gesneuveld, het geweld ons zo vaak heeft getroffen, is het toch niet vreemd om je af te vragen of het nu niet net iets te veel is geweest voor mensen die al waren uitgeput door het vele begraven, het helen van zo veel wonden, het steeds weer herbouwen.

Nalatigheid

Tegen de economische crisis hadden we ons schrap gezet, we hadden naar ons beste vermogen gezorgd dat het geen enkel huishouden aan voedsel zou ontbreken. De pandemie trotseerden we met maskers, hygiëne en afstand. Maar dat was niet genoeg. Als klap op de vuurpijl heeft een explosie alles binnen een omtrek van 17 kilometer in Beiroet verwoest en het hele land in rouw gedompeld. Als dan blijkt dat dit het gevolg is geweest van nalatigheid, van privileges, van mensenhandel, van machtsmisbruik, of van alle vier tegelijk, en dat onze ‘verantwoordelijken’ met een stalen gezicht eisen dat de verantwoordelijken worden opgespoord – dan is dat meer dan we kunnen verdragen.

Evenzo kunnen we niet meer verdragen dat de president families troost meent te bieden door de slachtoffers ‘martelaren’ te noemen. Hij ziet over het hoofd dat dit woord uit zijn mond een pure belediging is. En martelaren voor welke zaak? Dat zouden we weleens willen weten. Het enige waar het hier om gaat is immers zijn obsessie om te heersen en zijn ambt aan zijn erfgenamen over te dragen, tegen de verwachtingen en de hoop in van een volk dat wordt gedwongen buitenlandse agenda’s te dienen. Ze zijn dood, onze doden, meneer de president. En ze zijn een heel nare dood gestorven. En geen belofte van een hemel of van goddelijke compensatie zal ons troosten.

Onder die doden zitten jongeren, kunstenaars, mensen zoals architect Jean-Marc Bonfils, aan wiens grote talent Libanon veel meer heeft gehad dan aan de leugens en propaganda van uw regeringsploegen. Mensen zoals keramiste Marion Hochar, die de hardheid van dit land op een fijnzinnige manier doorzagen, die humor paarden aan een eindeloze culturele bagage en een schitterende creativiteit. Maar dat is niet het soort burgers dat ertoe doet, of wel soms? De ideale burger is voor u iemand van wie u denkt dat hij het pad voor uw opvolger zal effenen: een ellendige schoolverlater, zonder verstand, zonder enig ander verlangen dan uit uw hand te eten en uw goedkope vleierijen aan te horen.

Wij zeggen zomaar even ‘president’, maar we hebben ten minste drie presidenten van dezelfde garnituur gehad, en geen van hen hebben wij ter plaatse gezien. Geen heeft zich verwaardigd zijn schoenen vuil te maken en de ramp onder ogen te zien waarvoor hij, in zijn hoedanigheid van ‘verantwoordelijke’, een gedeelde verantwoordelijkheid draagt. Ongetwijfeld wrijven ze al in hun handen bij het vooruitzicht van de toegezegde hulp, terwijl de overvloed aan tegenslagen die ze ons toebrengen elke steen heeft doen trillen. Ongetwijfeld zijn ze al aan het onderhandelen over de verdeling ervan, over hoeveel elke ‘gemeenschap’ die alleen zij vertegenwoordigen krijgt.

Zeg hun dat we geen moed meer hebben. Zeg hun dat we nooit meer veerkracht zullen tonen. Dat we bezeten zijn van een homerische woede. Dat leegte te verkiezen is boven hun verachtelijke schijnvertoning. En laat de overdonderde menigten de galgen alvast in gereedheid brengen, als ze niet uit eigen beweging vertrekken.

Fifi Abou Dib