London Review of Books  | Londen

In de Mexicaanse hoofdstad zijn veel inwoners afhankelijk van las pipas: de tankwagens die bepaalde wijken van water voorzien. In het regenseizoen valt het water met bakken uit de hemel. Schaars is het niet, meer een probleem van watermanagement, infrastructuur en ongelijkheid. Emblematisch, volgens de Zuid-Afrikaanse essayist Rosa Lyster, voor veel metropolen in de wereld.

Op de een na laatste dag van vorig jaar nam ik een vliegtuig naar Mexico. Na vier uur vliegen kregen we te horen dat we een noodlanding moesten maken in Houston. De captain had kort na vertrek uit New York een olielek opgemerkt. De stewardess deed haar aankondiging eerst in het Engels, vervolgens in het Spaans en vertelde ons dat we niet moesten schrikken als we tijdens de landing veel brandweerwagens bij de baan zagen staan: die stonden ons op te wachten. Aan de ene kant vroeg ik me af waarom zij dacht dat die uitleg ook maar iemand zou geruststellen. Aan de andere kant was ik zo bang dat mijn tanden er pijn van deden.

De man in de stoel links van de mijne slikte zes of zeven keer en bleef daarna strak naar zijn benen zitten staren. De man rechts pakte zijn sudokuboekje en begon puzzels te maken in zo’n tempo dat hij ofwel een savant moest zijn, of er niet echt met zijn aandacht bij was. Bij één puzzel eindigde hij met zo’n harde kras dat zijn pen door het papier heen scheurde; hij keek me aan en zei: ‘Sorry.’ Bekneld in de middelste stoel vond ik het bizar en misschien zelfs wreed om ons dit zo recht voor zijn raap te vertellen, om ons op de hoogte te houden van de ontwikkelingen, terwijl die zo beroerd waren.

Ik haat het om de waarheid te horen te krijgen over nare situaties. Dat heb ik sinds 2018, toen gemeentefunctionarissen van Kaapstad ons vertelden dat ons water opraakte. De kranen, zeiden ze, zouden dichtgedraaid worden wanneer de zes waterreservoirs die samen het water van de stad leveren, tot onder de 13 procent van hun capaciteit zakten. Ze waren al tot 21 procent gezakt. We hoefden dat niet voetstoots van de ambtenaren aan te nemen, we konden langs de Steenbras- of de Theewaterskloofdam rijden en met eigen ogen zien dat daar nauwelijks iets in zat.

De kranten benadrukten telkens dat wij de treurigste wedstrijd ter wereld gingen winnen: we zouden ‘de eerste grote stad zonder water’ worden. Die zin maakte me doodsbang, niet alleen om wat hij voor Kaapstad betekende, maar ook omdat hij inhield dat er binnenkort nog een tweede en een derde en een vierde stad in beeld zouden komen. Toen de regen kwam leek het feit dat wij niet droog waren komen te staan, maar een tijdelijk respijt, een onverdiend uitstel waarvoor een ander de prijs zou moeten betalen. Wij hadden vooraan in de rij gestaan en waren vervolgens een eindje gezakt. Voordat wij op de eerste plek kwamen, had São Paulo daar gestaan. Na ons werd het Chennai. Altijd bijna vooraan: Mexico-Stad.

Gecompliceerd

De watercrisis van Kaapstad was gecompliceerd, maar in zekere zin ook gemakkelijk te begrijpen: alleen al door zelf te gaan kijken konden we zien dat we niet genoeg water hadden. In Mexico-Stad is dat anders. Enkele jaren geleden hoorde ik een wetenschapper op een conferentie zeggen dat Mexico-Stad ‘zichzelf dooddronk’ en sindsdien heb ik vaak aan die beschrijving gedacht, maar ik snapte niet echt wat ze bedoelde. Het is moeilijk om je een een waterhoudende laag voor te stellen, zelfs wanneer die wordt beschreven als een ‘groot ondergronds meer’. Ik ging naar Mexico-Stad om te begrijpen hoe een stad zichzelf kan dooddrinken.

Toen ik er eenmaal was, had ik liever dat er tegen me gelogen werd dan te moeten zien hoe de kathedraal de grond in zakte of er zinkgaten in de straat ontstonden, of te kijken naar het enkeldiepe stroompje waar vroeger een rivier was, of naar de vrachtwagens die een helling op ploeterden om water te brengen naar wijken die al tien jaar geen geregelde watertoevoer hebben. Ik wilde niet mijn tranen hoeven bedwingen toen een man een beschrijving van zijn jeugd in Michoacán begon met de woorden ‘Ik vond de regen altijd zo heerlijk’, alsof hij het had over iets wat voor altijd verdwenen was.

Ik ging met mijn tolk Ulises naar Ecatepec, een gemeente die zich uitstrekt over de heuvels buiten Mexico-Stad en die volgens schattingen het hoogste aantal femicides van het land heeft. Een paar jaar geleden werd gemeld dat de lichamen van 21 vrouwen waren gevonden in het zwarte kanaal dat door de stad slingert. De autoriteiten ontkenden het bericht, al zwichtten ze wel voor de druk van de publieke opinie en stelden een ‘gender alert’ in: een waarschuwing, of erkenning, dat vrouwen en meisjes er systematisch doelwit waren van geweld en moord. Vanwaar we stonden konden we het kanaal, waarvan de Mexicaanse naam ‘rivier van genezing’ betekent, net zien. Het was of we in de bergen waren: ijle lucht, helderblauwe hemel. We liepen naar de laatste huizen bovenaan de helling, keken toe hoe de watertrucks de bijna loodrechte klim maakten en luisterden naar de blaffende honden en piepende remmen.

De vrouwen die in deze straat wonen, stonden bij hun hek, zoals ze dat elke ochtend doen wanneer de gemeentelijke waterleiding niet werkt of onbetrouwbaar is, wat in Ecatepec bijna elke ochtend zo is. In deze straat was er al vijf maanden geen druppel uit de kraan gekomen. De vrouwen vertelden de chauffeurs opgewekt maar ongeduldig wat ze moesten doen, hielden honden bij kinderen weg, kochten brood bij een man op een motorfiets, kortom, ze redden zich, zoals dat heet wanneer het gaat over vrouwen op dit soort plekken.