The Atlantic  | Washington, D.C.

Waarom je gelijk halen bij medestanders als gelijk hebben voldoende zou moeten zijn? Volgens Graeme Wood is een ingezonden brief alleen betekenisvol wanneer de ondertekenaars hun naam op het spel zetten, een zeker risico nemen.

Vorige maand werd me gevraagd een open brief te ondertekenen, ‘A Letter on Justice and Open Debate’, inmiddels gepubliceerd in Harper’s en ondertekend door 153 journalisten en academici, onder wie medewerkers van The Atlantic. Het stuk was een waarschuwing tegen ‘ideologische conformiteit’ en ‘illiberalisme’ bij liberale instellingen, en signaleerde een tendens om in het geval van tegengestelde meningen niet in debat te gaan, maar te proberen je tegenstander uit het zadel te wippen, of sterker nog, diegenen uit het zadel te wippen die alleen al het bestaan van je tegenstander erkennen.

We hebben allemaal grenzen; bij sommige onderwerpen vinden we het beneden onze waardigheid om erover in debat te gaan. De ondertekenaars van de open brief betoogden dat je die categorie, van onderwerpen waarover niet valt te discussiëren, zo klein mogelijk moet houden, en er zeker niet nog een taboe aan moet toevoegen wanneer je je een mening vormt.

Misschien komt het doordat ik veel tijd doorbreng met luisteren naar mensen met krankzinnige opvattingen, maar ik ben de mening toegedaan dat je alleen een gezond intellectueel bestaan kunt leiden wanneer je jezelf voortdurend blootstelt aan vreemde of stuitende opvattingen. Toch onderteken ik nooit petities of open brieven. Ik heb verschillende keren laten weten dat als ik iets te melden heb, ik verdomme zelf wel een brief schrijf. Open brieven zijn verschrikkelijk en je zou er nooit eentje moeten schrijven dan wel ondertekenen.

Hieronder volgen de redenen waarom het fenomeen ingezonden brief zou moeten verdwijnen.

Het Black Lives Matter Plaza in de buurt van het Witte Huis in Washington, D.C. © Manuel Balce Ceneta / AP Photo