Undici | Milaan

Hoeveel sociale verandering voetballers teweeg kunnen brengen mag nooit onderschat worden. Volgens Simon Kuper snakt het Europese voetbal naar maatregelen; bijvoorbeeld het aanstellen van zwarte managers en bestuurders.

Ik schrijf al dertig jaar over voetbal en politiek, maar tot afgelopen mei heb ik spelers vrijwel nooit op activisme kunnen betrappen. Ze reden in dikke auto’s, gingen naar nachtclubs en onderwierpen zichzelf in interviews en op sociale media aan zo’n grondige zelfcensuur dat hun clubs zich amper zorgen hoefden te maken.

Eén smartphonefilmpje uit het verre Minneapolis in de VS bracht daar verandering in. Het toonde een witte politieman die zijn knie acht minuten lang in de nek van de zwarte George Floyd drukte tot die bezweek. De historische witte minachting voor zwarte levens kon niet beter worden geïllustreerd, en overal in de VS en Europa gingen betogers de straat op. Ook voetballers spraken zich uit. Tot aan Liverpool toe maakten teams selfies waarop ze op één knie zaten, het symbool van de Black Lives Matter-beweging. Arsenal speelde zijn eerste wedstrijd na de covid-19-pauze met ‘Black Lives Matter’ op hun shirt. De Engelse international Raheem Sterling, een van de weinige voetballers die zich sinds jaar en dag tegen discriminatie verzetten, ronselde Jadon Sancho, Kevin De Bruyne, Jordan Henderson en andere topvoetballers voor een 75 seconden durend filmpje dat eindigt met de woorden: ‘Het moet anders. En wel nu.’

Apengeluiden

Dit is allemaal belangrijk. Voetballers kunnen een klein beetje doen om de maatschappij anders te maken. En ze kunnen een heleboel doen om het voetbal anders te maken.

Zwarte voetballers worden pas sinds kort als gelijkwaardige burgers erkend op het veld. Toen hun aantal in de jaren zeventig aanzienlijk groeide in Engeland, werden ze vanaf de tribunes onthaald op apengeluiden en bananen, een gewoonte die in sommige andere Europese landen nog doorwoekert.

Tot rond 1990 werd er gediscrimineerd op salarisgebied: zwarte spelers in Engeland verdienden minder dan witte van hetzelfde niveau, zoals econoom Stefan Szymanski en ik hebben aangetoond in ons boek Soccernomics. Zelfs toen de salarissen gelijk waren getrokken, kwamen zwarte spelers van jongs af aan alleen in aanmerking voor stereotiepe spelposities: ze werden betrouwbaar geacht als snelle vleugelspelers, maar minder als controlerende middenvelders of centrale verdedigers, laat staan als keepers. Als ze veel succes hadden, werden ze bespot om hun levensstijl. Sterling heeft erop gewezen dat toen zijn witte teamgenoot Phil Foden een huis kocht, een krant kopte: ‘Jeugdige sterspeler Phil Foden van Manchester City koopt huis van 2 miljoen pond voor zijn moeder.’ Boven een artikel over de zwarte speler Tosin Adarabioyo stond: ‘Jonge Manchester City-speler (20) verdient 25.000 pond per week en koopt villa van 2,25 miljoen pond hoewel hij nog nooit in de basis heeft gestaan in de Premier League.’