360 | Amsterdam

Laat even alles uit handen vallen en bedenk wanneer u voor het laatst hebt toegegeven aan dat gevoel van lusteloosheid dat zich aandient na een tijdje niksen, draagt Joe Fassler zijn lezer op in zijn korte geschiedenis van de verveling. Hij vermoedt dat dat best een tijd geleden kan zijn, aangezien we anno 2019 nooit om een bezigheid verlegen zitten.

Tegelijkertijd weten we dat dat niet per se goed is. Zagen de oude Grieken verveling – acacia – nog als ‘het tragische onvermogen om de schoonheid te zien in Gods schepping’, tegenwoordig realiseren we ons heel goed dat we best wat vaker niks omhanden zouden mogen hebben.

Een ander bijverschijnsel van deze tijd waarin apps en tools en sites en onlinediensten ons de verveling onmogelijk maken – omdat we voor onze boodschappen niet meer in de rij hoeven te staan, omdat we als we voor een open brug wachten onze mail kunnen beantwoorden of een filmpje kijken – is volgens Jonathan Franzen, misschien wel de belangrijkste Amerikaanse schrijver van nu, dat er ‘geen hindernissen meer zijn, geen kennis om ons voor in te spannen’. Als iemand iets niet weet, wordt de smartphone tevoorschijn gehaald. In zijn haatlijst van tech-bedrijven staat Google op vijf. Ook Franzen lijkt naar verveling te verlangen.

Veel mensen blijven hangen in de fase van Grihastha, waarin je een carrière opbouwt, rijkdom vergaart en een gezin sticht