Financial Times | Londen

Onze voorvaderen, de jager-verzamelaars, zouden een zwaar bestaan hebben geleid, waarin ze voortdurend dingen tekortkwamen en meestal vroeg stierven. Dat idee, en het voortdurende streven om schaarste te bestrijden, vormt de basis van onze huidige economie en samenleving. Er blijkt alleen niets van te kloppen.

Al drie decennia documenteer ik de levens van de Ju/’hoansi-bevolking in de noordwestelijke Kalahari, en hun vaak traumatische confrontaties met de moderne samenleving. De Ju/’hoansi zijn misschien wel de bekendste van het handjevol gemeenschappen die zich tot ver in de twintigste eeuw in leven hielden door te jagen en verzamelen. De koste wat kost groeiende wereldeconomie vinden ze meestal weinig zinnig.

Waarom, vroegen ze bijvoorbeeld, kregen overheidsfunctionarissen die in kantoren met airconditioning zaten en de hele dag koffie dronken en kletsten, zoveel meer betaald dan de jonge mannen die ze op pad zonden om greppels te graven? Waarom gingen mensen nadat ze betaald hadden gekregen de volgende dag weer terug naar hun werk, in plaats van te genieten van de vruchten daarvan? En waarom werken mensen zo hard om meer geld te verdienen dan ze ooit nodig zullen hebben, of waar ze ooit van kunnen genieten?

Het was niet verwonderlijk dat de Ju/’hoansi deze vragen stelden. Tegen de tijd dat ik met hen begon te werken, was het al algemeen aanvaard dat ze het beste moderne voorbeeld vormen van hoe onze jagende en verzamelende voorouders moeten hebben geleefd. Maar hoe meer tijd ik met hen doorbracht, hoe meer ik begon te vermoeden dat hun benadering van de economie ons niet alleen inzichten in het verleden opleverde, maar ook liet zien hoe we ons in een steeds verder geautomatiseerde toekomst zouden kunnen organiseren.

Zelden leken deze lessen urgenter. Nu het aantal werklozen stijgt als gevolg van de verspreiding van covid-19, zijn regeringen bereid tot revolutionaire financiële injecties, van door de staat gesponsorde verlofregelingen tot het uitdelen van contant geld om in restaurants te kunnen eten – alles om de mensen weer aan het werk te krijgen.

Mantra

Voor de pandemie ging het ook al vaak over de toekomst van werk. Men maakte zich toen vooral zorgen over de niet-aflatende kannibalisatie van de arbeidsmarkt door steeds efficiëntere geautomatiseerde systemen en kunstmatige intelligentie.

Het is een begrijpelijke angst. Het werk dat we doen bepaalt mede wie we zijn. Het bepaalt onze toekomstperspectieven, waar en met wie we de meeste tijd doorbrengen en het vormt onze waarden. Zozeer zelfs dat we strebers bewonderen, luiheid afkeuren en dat universele werkgelegenheid een mantra vormt voor iedere politici, van welke partij ook.