The Wall Street Journal | New York

Er komt een dag dat we in staat zijn om ons hele bewustzijn in een computer te scannen en een digitale replica van onszelf te creëren die eeuwig kan blijven leven. Maar wat betekent dat voor onze sterfelijke biologische zelf die achterblijft?

Stel je een toekomst voor waarin een machine je brein kan scannen om daarvan de essentiële kenmerken over te zetten naar een computer. Mind uploading wordt dat genoemd: dan krijgt je bewustzijn een digitaal leven na de dood. Als neurowetenschapper ben ik ervan overtuigd dat het ooit zover gaat komen. Het is niet in strijd met de natuurwetten. Maar het vereist technologie die nog niet is uitgevonden, dus niemand weet wanneer het mogelijk wordt.

De werking van ons brein berust op een elegant principe: één simpel werkzaam onderdeel, de zenuwcel, wordt talloze malen vermenigvuldigd, resulterend in de complexiteit van onze hersenen. Die bevatten zo’n 86 miljard van deze zenuwcellen of neuronen, die via honderd biljoen synapsen met elkaar in verbinding staan. De informatie die in complexe en onvoorspelbare patronen door dat enorme stelsel van verbonden netwerken stroomt en verwerkt wordt, vormt wat wij ons brein of onze geest noemen.

Om iemands brein te kunnen uploaden, moeten eerst twee technische problemen worden opgelost. Ten eerste moeten we een kunstmatig brein met gesimuleerde neuronen bouwen. Ten tweede moeten we in staat zijn om iemands fysieke biologische brein en alle verbindingen tussen de neuronen nauwkeurig in kaart te brengen, willen we dat patroon ook in het kunstmatige brein kunnen nabootsen. En we weten niet of deze twee stappen genoeg zijn om iemands volledige bewustzijn echt naar een computer over te hevelen, of dat je daarvoor ook nog andere ongrijpbare aspecten van onze biologische opmaak mee moet kopiëren. Maar het is een goed startpunt.

Connectoom

Het eerste technische probleem is praktisch opgelost. We kunnen al kunstmatige, gesimuleerde neuronen maken en via synapsen met elkaar verbinden. Zo kunnen we netwerken van duizenden of zelfs miljoenen neuronen simuleren. Onze huidige wonderen van artificiële intelligentie, zoals Siri of zelfrijdende auto’s, draaien op grote kunstmatige neurale netwerken. Het nabootsen van een mensenbrein met zijn 86 miljard neuronen is nu nog wat te hoog gegrepen, maar dat duurt vast niet lang meer. De computertechnologie wordt steeds beter.

De tweede technische horde is een stuk moeilijker te nemen. Met behulp van een elektronenmicroscoop heeft een team onderzoekers aan het Albert Einstein College of Medicine onlangs een beschrijving voltooid van het volledige ‘connectoom’ – de kaart van alle neurale verbindingen – van een rondworm. Dat is een piepklein beestje met pakweg driehonderd neuronen, en daar hebben ze bijna tien jaar over gedaan. Het is een mijlpaal. Maar om een mensenbrein te kunnen uploaden, wil je mensen scannen als ze nog leven en moet je honderd miljoen keer zoveel data verwerken. Daarvoor ontbreekt ons nu nog de technologie. Volgens de meest optimistische ramingen ontwikkelen we die binnen enkele decennia, maar het zou mij niet verbazen als het nog eeuwen duurt.

Maar hoe lang het ook duurt, het lijkt er toch op dat het ooit zover kan komen, en dan loont het ook de moeite om eens na te denken over wat het voor ons zou betekenen. Wat zijn de ethische en filosofische implicaties van het uploaden van ons brein?