The Economist / 1843 | Londen

In juli 2019 ontving Nicolas Pelham, Midden-Oosten-correspondent van The Economist, een zeldzaam journalistenvisum voor Iran. Op de dag dat hij naar huis zou vliegen, werd hij tegengehouden. De langdurige gevangenschap die volgde, nam een verrassende wending. ‘Ik had het gevoel dat ik een sleutel tot een geheime tuin had gekregen, en er steeds weer uit werd weggetrokken.’

» Hier leest of luistert u dit verhaal op Blendle

Ik was net mijn hotelrekening aan het betalen toen ze aan kwamen lopen. Ze waren met zijn zevenen en gekleed in burger, maar ze gedroegen zich stijf en formeel. ‘Mijnheer Pelham?’ vroeg de kleinste en hij overhandigde me een handgeschreven document in het Perzisch. ‘Het is ondertekend door een rechter,’ zei hij. ‘Het geeft ons het recht u 48 uur vast te houden.’ Hij wachtte even tot er een reactie op mijn gezicht verscheen. ‘Misschien is het minder,’ voegde hij eraan toe. ‘We willen je alleen een paar vragen stellen.’

Hij gaf me een keuze. Ofwel kon ik ondervraagd worden in het hotel, ofwel in hun auto op weg naar het vliegveld. ‘Misschien dat je zelfs het vliegtuig nog haalt,’ zei hij. Bijna automatisch vroeg ik om een ​​advocaat of een diplomatieke vertegenwoordiger. Hij wuifde mijn verzoek weg, om aan te geven dat dit niet nodig was. ‘We willen alleen iets meer over je reis weten. Er is geen reden voor onnodig oponthoud of complicaties.’

Het was 19.30 uur. Mijn vliegtuig zou binnen vier uur vertrekken en het vliegveld bevond zich op meer dan een uur rijden van Teheran. De ambtenaren brachten me naar een klein kantoor in het hotel en verdrongen zich rondom mijn stoel.

‘Uw mobiele telefoon en laptop, alstublieft.’

Ik wees naar de tas die tegen de muur tegenover ons lag.

‘Zijn er nog meer?’

Ik haalde een tweede telefoon uit mijn zak.

De kleinste man had de leiding. Hij droeg een donkere, te grote jas en broek. Zijn golvende haar was vettig en zijn gezicht getekend. Hij wipte op en neer op zijn stoel en klopte op mijn knie, maar ik wist niet zeker of hij me probeerde gerust te stellen of te intimideren.

De bewakers gingen vliegensvlug door mijn boeken en aantekeningen. Ze hielden een stuk papier met notities van een vorige reis in de lucht en vroegen me uit te leggen wat er stond. Ik probeerde mijn schrik te verbergen toen ik zag dat mijn achtjarige zoon grote Hebreeuwse letters op de achterkant had gestencild. Hoe had ik dat kunnen meenemen? Maar als ze het Hebreeuws al opmerkten, zeiden ze er niets van.

Ik vroeg of ik naar het toilet mocht. Als een klein kind wilde ik even ontsnappen aan de spanning in de kamer. Ik kalmeerde mezelf door diep in te ademen. Die dag, in de taxi terug naar mijn hotel, had ik mijn e-mails doorgenomen en gelezen dat een aantal reizigers, waaronder een Frans-Iraanse wetenschapper van Sciences Po in Parijs, onlangs in Iran waren vastgehouden omdat ze een gevaar zouden zijn voor de veiligheid van de staat. En nu zat ik hier.

Ze wilden weten hoe vaak ik in Israël was geweest. En Palestina, voegde ik eraan toe