The Atlantic | Washington D.C.

Alex en zijn familie verhuisden toen hij nog klein was van de Filipijnen naar Amerika. Lola ging mee. Ze bracht de kinderen naar school, kookte voor het gezin, waste hun kleren, bediende de ouders, en kreeg daarvoor nooit enige waardering. Pas rond zijn twaalfde realiseerde Alex wat Lola was: een slaaf.

» Hier leest of luistert u dit verhaal op Blendle

De as past in een plastic bakje ter grootte van een broodrooster. Het geheel weegt drieënhalve pond. Afgelopen juli heb ik het bakje in een canvas boodschappentas gedaan en in mijn koffer gestopt voor een trans-Atlantische vlucht naar Manilla. Vandaar wil ik per auto doorreizen naar een dorp op het platteland, waar ik de resten zal afstaan van de vrouw die zesenvijftig jaar lang slaaf is geweest in het huishouden van mijn familie.

Ze heette Eudocia Tomas Pulido. Wij noemden haar Lola. Ze mat één meter zevenenveertig en had een mokkabruine huid en amandelvormige ogen die ik nog steeds in de mijne zie kijken – mijn eerste herinnering. Mijn grootvader had haar op haar achttiende cadeau gegeven aan mijn moeder, en toen ons gezin naar de Verenigde Staten vertrok, namen we haar mee. Er is geen ander woord voor het leven dat zij leidde dan slavernij. Haar dagen begonnen voordat alle anderen wakker werden en eindigden nadat wij naar bed waren gegaan. Ze bereidde drie maaltijden per dag, maakte het huis schoon, bediende mijn ouders en zorgde voor mij en mijn vier broertjes en zusjes. Mijn ouders hebben haar nooit betaald en foeterden haar voortdurend uit. Ze was niet geketend, maar had dat net zo goed wel kunnen zijn. Hoe vaak heb ik haar niet ’s nachts, als ik naar het toilet moest, in een hoek zien slapen, weggezakt tegen een stapel wasgoed, met in haar vingers nog een half opgevouwen kledingstuk.

Modelimmigranten

In de ogen van onze Amerikaanse buren waren wij modelimmigranten, een voorbeeldig gezin. Dat zeiden ze tegen ons. Mijn vader was afgestudeerd in de rechten, mijn moeder studeerde voor arts en mijn broertjes en zusjes en ik haalden goede cijfers op school en zeiden altijd ‘alstublieft’ en ‘dank u wel’. We hadden het nooit over Lola. Ons geheim tastte de kern aan van wie we waren en, in ieder geval voor ons kinderen, van wie we wilden zijn.

Nadat mijn moeder in 1999 aan leukemie was gestorven, kwam Lola bij mij wonen in een stadje ten noorden van Seattle. Ik had een gezin, een carrière, een huis in een voorstad – de Amerikaanse droom. En toen had ik ook een slaaf.