The New Yorker | New York

Geeft pijn een diepere betekenis aan ons bestaan? Jo Cameron, die niet in staat is pijn te voelen, zowel fysiek als emotioneel, doet vermoeden van niet. Voor wetenschapper is ze een ‘droommeisje’, en ze werkt graag mee aan hun onderzoeken, zodat ze het lijden van anderen misschien verzachten.

We denken graag dat wat ons niet doodt ons sterker of veerkrachtiger maakt, of… iets. Diepzinniger. Wijzer. Groter. Er is ‘zaligheid in ons lijden’, belooft de Bijbel. ‘Lijden zorgt voor doorzettingsvermogen; doorzettingsvermogen voor karakter; karakter voor hoop.’ In deze vergelijking kan je niet genoeg pijn hebben. ‘Hoe donkerder de nacht, hoe helderder de sterren’, schreef Dostojevski. ‘Hoe dieper de pijn, hoe dichterbij God!’ Wij atheïsten doen hier ook aan mee met onze bewering dat de pijn van verlies onze liefde versterkt. De uren die we in het donker voor ons uit staren, ronddwalend in onze persoonlijke grand prix van angsten, zijn geen tijdverspilling maar een fundamentele uitdrukking van onze menselijkheid. Enzovoort. Zijn is lijden.

Maar wat als onze moeilijkste gevoelens niets dan overbodig zijn? Hypervigilantie en angstige prikkels waren nuttig toen we om te overleven op de vlucht moesten voor leeuwen; je hebt er weinig aan als die roofdieren zijn veranderd in de ziekte van Alzheimer, en kanker. Andere ondraaglijke gevoelens, zoals overweldigend verdriet en levensgrote spijt, hebben in evolutionaire zin misschien nooit een functie gehad. Maar religie, kunst, literatuur en Oprah hebben ons ervan overtuigd dat ze waardevol zijn – dat bittere tintje dat de zoetheid van het leven versterkt. Door de pijn kunnen we vreugde, dankbaarheid, genade, hilariteit en empathie waarderen. Of toch niet?

Vanwege een combinatie van genetische bijzonderheden is Camerons negatieve emotionele bereik beperkt tot het soort draaglijk lijden dat je ziet in een Nora Ephron-film