The Guardian | Londen

In de wereld van de tampon staat al vele decennia één bedrijf onbetwist aan de top. Maar de laatste jaren wordt de markt overspoeld door nieuwe merken, die niet alleen feministisch zijn, maar ook ecologisch verantwoord.

Ik spreek Suk op een kille namiddag niet lang geleden, gebeamd vanuit Ohio op een reusachtig scherm in het Europese hoofdkwartier van P&G in Genève. De multinational huist in een kolossaal wit, hoekig gebouw met ramen van blauw glas, een architectuur die het beste kan worden omschreven als ziekenhuischic. Misschien heeft het er iets mee te maken dat het conglomeraat ook zoveel merken schoonmaakmiddel produceert dat werkelijk elk oppervlak een antibacteriële glans heeft en dat alle personeelsleden net een complete reinigingscyclus lijken te hebben doorlopen en glimmen van bedrijfsmatige hygiëne.

De tamponkoningin – een van haar vele bijnamen – is Melissa Suk, een uitbundige vrouw. Suk zit al vier jaar op de troon als associate brand director van Tampax en houdt hof in het hoofdkantoor van de multinational Proctor & Gamble, een gigant in de verbruiksgoederenindustrie, gevestigd in Cincinnati, Ohio. Vanuit Cincinnati overziet Suk een imperium dat zich uitstrekt over zeventig landen en dat zijn weg vindt naar badkamerkastjes in steden, dorpen en gehuchten over de hele wereld. Op het gebied van tampons is Tampax de onbetwiste leider, met wereldwijd een marktaandeel van 29 procent. (P&G’s grootste concurrent binnen de sector, Johnson & Johnson, heeft nog altijd een marktaandeel van minder dan 20 procent.) Vorig jaar zijn er wereldwijd meer dan vierenhalf miljard doosjes Tampax over de toonbank gegaan. En toch zijn er, opmerkelijk genoeg, uithoeken op de wereld waar Tampax nog niet is doorgedrongen. Als je potentiële afzetgebied bestaat uit alle bloedende vagina’s ter wereld, is er altijd de mogelijkheid van verdere groei.

Er is een hele reeks vergaderruimtes, variërend van ruimtes met een adembenemend uitzicht op bergtoppen tot ronduit kleurloze kamers, en waar wij zitten zou je kunnen omschrijven als ‘de zone des doods’: een kamertje in de kelder waar spookachtige echo’s klinken van misgelopen projecten. Op de ene muur hangt een levensgrote foto van de P&G-droom: een vrouw die op haar ene arm een baby heeft met een P&G Pampers-luier, terwijl ze zelf de was doet met P&G Ariel-waspoeder, met naast haar een gootsteen met daarop een fles P&G Fairy-afwasmiddel. Na de recente ‘This Girl Can’-advertentiecampagne van Sport Engeland had een onmiskenbaar Tampaxkoordje tussen de benen van de vrouw ook niet misstaan.

Al met al is dit een commercieel droombeeld: een leven waarin bepaalde merken zo zijn verweven met ons bestaan en dat van onze moeders, dat de aanwezigheid van die merken haast even onzichtbaar en vanzelfsprekend is als liefde.

‘We hebben ons tot taak gesteld te zorgen dat zij alles uit het leven kan halen, of ze nou ongesteld zijn of niet’