The Guardian | Londen

Er bestaat een bloeiende handel in luxe apocalypsaccomodaties, die een comfortabel onderkomen bieden in tijden van pandemieën en nucleaire oorlogen – aan ieder die het betalen kan.

Een tijdje geleden reisde ik af naar de Black Hills van South Dakota om de plek te bekijken waar de herrijzenis van de mens zou plaatsvinden na de wereldwijde ineenstorting van de beschaving. Het einde van de wereld was trending en het leek me een goed moment om op zoek te gaan naar een plek om die laatste dagen door te brengen. De afgelopen maanden werd ik, waarschijnlijk als een uiting van mijn eigen zorgen over het opvoeden van een klein kind in een steeds duisterder en vergankelijker wereld, nogal in beslag genomen door de apocalyptische toon in de samenleving.

Een van de meer perverse aspecten van deze obsessie was een maandenlange overconsumering van doomsdayachtige berichten: blogs en forums en YouTube-filmpjes waarin potige Amerikaanse jongens, met namen als Kyle of Brent, uitlegden welke strategieën er zoal bestaan om grote catastrofes – wereldwijde pandemieën, de ineenstorting van de maatschappij, nucleaire oorlogen – ‘tactisch te overleven’. Dit leidde tot een algehele staat van apocalyptische paraatheid en zo ontdekte ik een lucratieve niche van de vastgoedsector die zich richt op vermogende individuen op zoek naar een plek om zich terug te trekken als het echt de verkeerde kant op gaat.

Ik had een afspraak gemaakt met ene Robert Vicino, een onroerendgoedhandelaar uit San Diego die een groot landgoed in South Dakota had verworven. Het terrein had ooit dienst gedaan als munitie- en onderhoudsfaciliteit van het leger en was tijdens de Tweede Wereldoorlog gebouwd voor de opslag en het testen van bommen. Er stonden 575 ontmantelde wapenopslagplaatsen: gigantische betonnen en stalen constructies ontworpen om explosies tot een halve megaton te kunnen weerstaan. Vicino was van plan ze voor 35.000 dollar per stuk te verkopen aan Amerikanen die eropuit waren zichzelf en hun families te beschermen tegen een verscheidenheid aan eindetijdsgebeurtenissen.

Vivos

Vicino was een van de meest prominente en succesvolle figuren op het gebied van de doomsdayparaatheid, een vastgoedmagnaat voor het einde der dagen. Zijn bedrijf specialiseerde zich in de bouw van enorme ondergrondse schuilplaatsen waar vermogende particulieren het einde van de wereld konden beleven ​​in de comfortabele stijl die hen vertrouwd was. Het bedrijf heette Vivos, het Spaanse woord voor levenden. (Zoals in los vivos – zeg maar tegenovergesteld aan los muertos.) Vivos zou verschillende gebouwen in de Verenigde Staten exploiteren, die zich alle op afgelegen en geheime locaties bevonden, ver van de voor de hand liggende nucleaire doelen, seismische breuklijnen en grote stedelijke gebieden waar uitbraken van besmetting het meest catastrofaal zouden zijn. Het bedrijf maakte bovendien reclame voor een ‘eliteschuilplaats’ in Duitsland, een enorme munitiebunker uit het Sovjettijdperk, ingemetseld in een berg in Thüringen.

Vivos’ nieuwe locatie in South Dakota kreeg de naam xPoint. Elk van de bunkers, die gelijkmatig verdeeld waren over 18 vierkante mijl prairiegebied (ca. 50.000 km2), had een oppervlakte van 204 vierkante meter – aanzienlijk groter dan mijn eigen (weliswaar niet erg ruime) woning. Er werd beweerd dat deze locatie tussen de 6000 en 10.000 mensen kon huisvesten en ‘de grootste overlevingsgemeenschap op aarde’ zou zijn. Het project werd gepitcht bij een doelgroep die zich ergens in het midden hield tussen de superrijke klanten voor Vivos’ luxe ondergrondse schuilplaatsen en de dag-des-oordeelsfanaten die de apocalyps dachten te overleven met mannelijk vertoon en YouTube-knowhow. Het was met andere woorden het toekomstige domein van de postapocalyptische petit bourgeoisie.

De plaats was, las ik op de website van het bedrijf, ‘strategisch en centraal gelegen in een van de veiligste gebieden van Noord-Amerika’, op een hoogte van ongeveer 1200 meter en 160 kilometer van de dichtstbijzijnde bekende militaire nucleaire doelen. ‘Het beveiligingsteam van Vivos kan iedereen die het terrein nadert op zo’n vijf kilometer afstand zien. Massief. Veilig. Solide. Geïsoleerd. Privé. Verdedigbaar. Off-Grid. Centraal gelegen.’ Het was me niet meteen duidelijk hoe een plek zowel geïsoleerd als centraal gelegen kon zijn, maar aan de andere kant, als zo’n beetje alle anderen op aarde zouden zijn omgekomen, zou elke nederzetting van levende wezens zich met recht centraal gelegen mogen noemen.

Vivos bood meer dan alleen kant-en-klare bunkers en kant-en-klare apocalypsoplossingen. Het bedrijf bood bovendien zicht op een toekomst na de ineenstorting van de staat. Wie tot aanschaf overging, belandde in een koortsdroom ontsproten uit de diepten van het libertarische reptielenbrein: een groep welgestelde en ideologisch gelijkgestemde individuen die een autonome ruimte delen, zwaar versterkt tegen buitenstaanders – de armen, de hongerigen, wanhopigen, onvoorbereiden – en het juiste moment afwachten om de beschaving weer van de grond af aan op te bouwen. Wat hier eigenlijk werd aangeboden was een staat die was uitgekleed tot zijn meest rechtse kern: een gemilitariseerd veiligheidsapparaat dat het privévermogen middels contractuele afspraken beschermde.

Er kwam steeds meer concurrentie bij op het gebied van het eindetijdsvastgoed. Op de website van een grote leverancier van luxe apocalypsoplossingen, Trident Lakes, las ik dat in geval van een nucleaire, chemische of biologische noodsituatie de gebouwen zouden worden verzegeld door automatische luchtsluizen en explosiedeuren, en dat ze via een netwerk van tunnels zouden worden verbonden met een ondergronds buurthuis waar droog voedsel, DNA-kluizen, een volledig uitgeruste fitnessruimte en vergaderruimtes te vinden waren. De promotionele tekst beloofde bovendien voorzieningen als een winkelcentrum, een manege, een poloveld, een 18-holes golfbaan plus een oefenterrein.