Vulture | New York

Molly Young werkte bij veel verschillende start-ups, en bestudeerde met zowel fascinatie als ontzetting de taal waarin haar collega’s zich uitdrukken. De aan voortdurende verandering onderhevige lege woorden dienen volgens haar om te verbloemen en verdraaien, maar bovenal om te verhullen.

Ik werkte sinds 2010, toen ik begin twintig was, acht jaar lang bij verschillende start-ups. Daarna heb ik een tijdje freelance gewerkt, om een jaar later terug te keren naar het kantoorleven, bij weer een andere start-up. Tijdens mijn tussenjaar had ik van alles gemist, zoals de zorgvoorzieningen, onbeperkt gratis post-its en de luxe om onbeschaamd mensen te bekijken. (In 2016 zag ik een collega zichzelf een kom cornflakes inschenken, melk toevoegen en gedurende 90 seconden in de magnetron plaatsen. Een beeld dat ik nooit zal vergeten.) Eén ding dat ik niet miste aan het kantoorleven was de taal. Aangezien de taal aan voortdurende verandering onderhevig was, was het geen verrassing dat er een nieuwe prachtterm was ontstaan ​​tijdens mijn kantoorloze jaar. Die term was parallel path, en hoorde ik voor het eerst in deze zin: ‘We wachten op specificaties voor de installatie in San Francisco. Can you parallel-path two versions? (Kan je twee versies parallel laten lopen?)’

In normale taal zou dit zoiets zijn als: ‘We wachten op specificaties voor de installatie in San Francisco. Kun je twee verschillende versies maken?’ Met andere woorden, ‘parallel path’ is twee dingen tegelijk doen. Dat is alles. Ik vond het ergens ontroerend en onbedoeld openhartig dat in deze uitdrukking de aanname lag besloten dat een persoon op kantoor nooit meer dan één ding tegelijk zou doen – terwijl het hele ding van een kantoorbaan is dat je ineffectief multitaskt in plaats van effectief aan één taak werkt. Waarom een ​​term verzinnen voor iets wat mensen sowieso al deden? De schijn, de poeha en het volledige gebrek aan bestaansrecht van de term maakten deze voor mij tot het perfecte kantoorneologisme.

Het juiste antwoord op bovenstaande vraag zou zoiets zijn als: ‘Zeker, ik ga ermee aan de slag en loop dit parallel af en koppel dan weer terug naar jou.’ Een even acceptabele reactie zou ‘Ja’ zijn, of een simpele knik. Maar het doel van zulke zinnen is om de ruimte te vullen. Waar ik ook werkte, overal gold dat als mensen taal zou gebruiken zoals taal normaal wordt gebruikt, namelijk om te communieren, een werkdag twee uur korter zou duren.

Het zou in theorie lollig zijn om willekeurige termen in te voeren en vervolgens aan te dringen op de geldigheid ervan (‘We’re gonna have to banana-boat the marketing budget’; ‘We moeten het marketingbudget bananenvaren’). Maar in feite is de enige schoonheid, als je het al zo kan noemen, van termen als parallel path dat ze uit het niets opdoemen om vervolgens schijnbaar onmiddellijk door iedereen te worden opgepikt. Werkplekken mogen bekendstaan om de gemeenschappelijke irritaties en gemeenschappelijke trots, het zijn evengoed plaatsen van een gemeenschappelijke mystiek. Toen ik aan die baan begon en bekend raakte met het nieuwe vocabulaire, voelde ik me als een Maya circa 1600 v.Chr., omringd door andere Maya’s in het gezicht van een onafwendbare klimaatverschijning die we niet begrepen en moesten zien te overleven, waarbij we onze levens en verbale uitingen in dienst stelden van een hogere autoriteit.

Hoe dan ook, na zes maanden stopte ik bij de parallel path-baan – maar niet vanwege het taalgebruik, waarvan ik bij het indienen van mijn ontslag wel wat heb toegepast.

Kambucha en een kantoorhond

In januari verscheen een ijzersterke memoire genaamd Uncanny Vally. De auteur, Anna Wiener, verhuisde rond 2014 vanuit Brooklyn naar San Francisco voor een baan bij een start-up voor mobiele analyse. Een van de vele geneugten van het boek is hoe perfect het huidige Bay Area halverwege de jaren 2010 erin wordt opgeroepen: kambucha, een kantoorhond, kersverse usb-kabels. Wiener beschrijft de verheven ambities van haar bedrijf, de goede voorzieningen, de nonchalante misogynie die haar als een wolk van muggen omringt.

Het boek raakte me op twee plekken. Dicht bij het hart, door beschrijvingen van een jeugd in San Francisco, met zijn mistige buurten en fluwelen voetbalvelden. De andere plek zat dichter bij mijn lever, waar gal wordt geproduceerd. De werkplekken die Wiener beschreef herinnerden me aan de banen die ik zelf had gehad, omdat ze geld opleverden om de huur te betalen in een grootstedelijk gebied, terwijl ik ondertussen freelance werk deed voor tijdschriften en websites waarvoor dat niet gold. Schrijven is een economisch onhandige vaardigheid. Ondanks het feit dat het nog niet kan worden uitbesteed of door robots worden uitgevoerd, is de marktwaarde laag. In het geval van Anna Wiener (en misschien wel enkel en alleen in haar geval) was dit een goede zaak, omdat het haar dwong te infiltreren in een terrein dat erom schreeuwde door haar te worden becommentarieerd.