The Economist | Londen

Zoals het coronavirus zich in ons lichaam nestelt, nestelen duistere theorieën zich in onze hersenen. Bij conservatieven nog meer dan bij liberalen, zo blijkt.

‘Artsen moeten drie dingen kunnen: liegen zonder door de mand te vallen; doen alsof ze eerlijk zijn; de dood veroorzaken zonder schuldgevoel.’ Dat schreef Jean Froissart, een dagboekschrijver uit de middeleeuwen, na een uitbraak van de builenpest in de veertiende eeuw. Valse berichten hielden destijds onder andere in dat de pest kon worden genezen door in een riool te zitten, door tien jaar oude stroop te eten of door arseen in te nemen.

De ‘infodemie’ rond COVID-19, die in februari door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) werd uitgeroepen, is niet de eerste wereldwijde uitbraak van desinformatie. Enkele van de mythen die werden verspreid waren het idee dat de ziekte kan worden genezen door het drinken van methanol, wat tot meer dan 700 doden in Iran heeft geleid, en dat deze wordt verspreid door 5G-zenders, wat alleen al in Groot-Brittannië 90 aanvallen op telefoontorens veroorzaakte door brandstichters. Zoals het virus zich in de longen van mensen nestelt, infecteren gevaarlijke ideeën de geest.

Plandemic

Een groot verschil tussen de desinformatie van respectievelijk de jaren 1300 en 2020 is de huidige snelle wereldwijde verspreiding, mogelijk gemaakt door het internet. In maart stelde een onderzoek dat Gallup in 28 landen op vier continenten uitvoerde vast dat in alle landen tenminste 16% – en tot wel 58% – van de mensen dacht dat COVID-19 opzettelijk werd verspreid. Een filmpje genaamd ‘Plandemic’, waarin wordt beweerd dat een schimmige elite de uitbraak vanuit winstoogmerk is begonnen, werd op 4 mei geüpload; binnen een week was het 8 miljoen keer bekeken en stond de hoofdrolspeler, Judy Mikovits, bovenaan de bestsellerlijst van Amazon.

Sociale media stellen mensen in staat om zowel echt als nepnieuws te delen. Maar de fantasten lijken de overhand te krijgen. Een studie die afgelopen mei in Nature werd gepubliceerd wees uit dat, hoewel er meer Facebook-gebruikers zijn die voor vaccineren zijn dan tegen, de anti’s beter zijn in het aanleggen van contacten met onpartijdige groepen zoals verenigingen van schoolouders, zodat hun aantal sneller groeit. Volgens een recent artikel in de Misinformation Review van Harvard Kennedy School, zullen Amerikanen die sociale media gebruiken eerder geloven dat de regering het virus heeft gemaakt of dat overheden de ernst ervan overdrijven.

In veel landen hebben omroepen een vergunning nodig om uit te zenden en moeten ze toezichthouders ervan overtuigen dat ze hun best doen hun berichtgeving te staven. Maar zulke beperkingen gelden voor het internet nauwelijks. In april censureerde de Britse omroepwaakhond Ofcom een ​​klein tv-station genaamd London Live vanwege het uitzenden van een deel van een interview met David Icke, een complottheoreticus die gelooft dat de pandemie een hoax is. De uitzending was door slechts 80.000 mensen bekeken. Maar ten tijde van de uitspraak van Ofcom hadden inmiddels 6 miljoen mensen het volledige interview bekeken op YouTube, dat buiten de jurisdictie van Ofcom valt.

YouTube heeft de video daarna verwijderd, samen met vele andere. Sectie 230 van de Amerikaanse Communications Decency Act stelt internetserviceproviders vrij van juridische aansprakelijkheid voor de content die door derden op het platform wordt gepubliceerd. Maar president Donald Trump wil hier verandering in brengen. En al wordt hij door de rechtbank tegengehouden, dan nog is de publieke opinie voorstander van meer interventie. In Amerika zegt 84% dat sociale netwerken berichten zouden moeten verwijderen waarvan zij vermoeden dat ze onjuiste informatie over COVID-19 bevatten. De helft daarvan vindt dat ze dit mogen doen zonder aan te tonen dat de berichten onjuist zijn. Techbedrijven zijn begonnen met het geven van waarschuwingen bij valse informatie en doorverwijzingen naar betrouwbare bronnen.