The Atlantic | Washington D.C.

In onze verschillende informatiebubbels hebben we niet alleen andere meningen, zelfs onze perceptie van wat waar is loopt uiteen. Anne Applebaum buigt zich over de vraag of we überhaupt nog tot elkaar kunnen komen. Alleen zogenaamd lachtivisme, patriotisme en een andere kijk op de geschiedenis lijken ons (en de campagne van Biden) nog te kunnen redden.

Onlangs bezocht ik een politieke bijeenkomst op een boerenerf. De Poolse presidentskandidaat Rafał Trzaskowski was aan het woord; op de achtergrond glinsterde een gouden tarweveld in de namiddagzon. Het publiek was enthousiast – de gastheer, een plaatselijke boer, had het bezoek van de kandidaat pas de dag ervoor aangekondigd – maar de combinatie van Trzaskowski en het tarweveld was vreemd. Hij is de burgemeester van Warschau, spreekt meerdere talen, heeft een diploma in de economie en behoort tot de helft van Polen die zich identificeert als geschoold, stedelijk en Europees. Wat weet hij van tarwe?

Maar Trzaskowski had zich kandidaat gesteld voor het presidentschap in een land waarvan de andere helft in een informatiebubbel leeft waarin ze leren wantrouwend te zijn tegenover iedereen uit Warschau die geschoold, stedelijk en Europees is. De Poolse staatstelevisie, die volledig wordt gecontroleerd door de regerende partij Recht en Rechtvaardigheid, stuurde agressieve berichten die luchtbel in, die de inzittenden waarschuwden dat Trzaskowski onbetrouwbaar was, buitenlands, in de ban van de ‘LGBT-ideologie’ – die de huidige president, Andrzej Duda, ‘erger dan het communisme’ noemde – en samenspande met Duitsers en Joden. Deze berichten, die voortdurend werden herhaald op een breed scala aan radiostations en televisiekanalen, waren bedoeld om de loyaliteit van de groep te versterken en de kiezers van Recht en Rechtvaardigheid te overtuigen dat zij ‘echte’ Polen zijn, en hun politieke tegenstander bedriegers en verraders.

Tijdens zijn korte campagne deed Trzaskowski zijn best om ook in die bubbel te reiken. Hij stond daar bij de tarwevelden, bracht veel tijd door in kleine steden en riep in advertenties op tot een einde aan de verdeeldheid. ‘We zijn verenigd door een droom,’ zei hij in een toespraak: ‘een droom van een ander Polen’, een Polen waarin geen ‘betere’ en ‘slechtere’ burgers bestaan. Dit was een bewuste keuze: in plaats van de kiezers in zijn eigen bubbel te mobiliseren door de regerende partij aan te vallen, probeerde hij de diepe polarisatie van Polen te overbruggen door een beroep te doen op nationale eenheid.

Met 49 procent van de stemmen kwam hij dichtbij, maar niet dichtbij genoeg. Trzaskowski’s helft van Polen was onvoldoende enthousiast, terwijl de andere helft fanatiek, boos en erg bang was voor Joden, buitenlanders en de ‘LGBT-ideologie’. De kiezers van Duda waren blij met de overheidssubsidies en de verlaagde pensioenleeftijd die zijn partij had goedgekeurd in plaats van op afstand geïnspireerd door Trzaskowski’s verhalen over solidariteit en eenheid – als ze die al te horen kregen.

Akelig bekend

Als ze die al te horen kregen. Klinkt dat niet akelig bekend? Want hetzelfde kan dit najaar in de Verenigde Staten gebeuren – of tijdens de volgende verkiezingen in Frankrijk, Italië of Oekraïne. De Amerikaanse politiek, de Poolse politiek, de Franse, Italiaanse, Oekraïense politiek, die allemaal zijn voortgekomen uit hun eigen geschiedenis, economie en cultuur, hebben tegenwoordig één ding gemeen: in elk van deze landen zorgt een compleet verschillende informatievoorziening voor een scherpe tweedeling van het electoraat. Sommige kiezers leven in een zogenaamde populistische bubbel, waar ze nationalistische en xenofobe boodschappen te horen krijgen, op feiten gebaseerde media en op feiten gebaseerde wetenschap leren wantrouwen, ontvankelijk worden voor complottheorieën en wantrouwend tegenover democratische instellingen. Anderen lezen en horen totaal andere media, respecteren verschillende autoriteiten en zoeken naar een ander soort nieuws. Welke voordelen deze verschillende bubbels ook mogen hebben, de heersende regels maken dat de mensen erbinnen niet in staat zijn de mensen erbuiten te begrijpen, of zelfs maar met hen te praten.

Op sommige plaatsen, waaronder Polen en de Verenigde Staten, is het land in tweeën gedeeld. Op andere plaatsen, zoals Duitsland, liggen de verhoudingen anders, maar is de kloof tussen beide kampen net zo diep. Een paar jaar geleden nam ik deel aan een project waarin werd gekeken naar buitenlandse invloed tijdens de Duitse parlementsverkiezingen van 2017. We ontdekten onder meer dat de overgrote meerderheid van de Duitsers – links, rechts en gematigd – een mix van grote kranten, tijdschriften en televisiekanalen volgt, waaronder publieke televisie. Maar veel van de Duitsers die stemmen voor het extreemrechtse Alternatief voor Duitsland – het aantal schommelt tussen de 10 en 14 procent – halen hun nieuws uit een heel andere reeks bronnen, waaronder een flinke dosis Russisch gefinancierde Duitstalige media, zoals als Sputnik en RT. De kiezers in de extreemrechtse bubbel hebben niet alleen een andere mening dan andere Duitsers; ze hebben andere feiten, waaronder zelfs ‘feiten’ die door een heel ander land zijn verstrekt.

Het gaat hier niet zozeer over Rusland, maar om de diepe kloof in perceptie die een tiende van de Duitse kiezers nu scheidt van de overige 90 procent. Is die kloof permanent? Moeten andere Duitse politieke partijen proberen de mensen in de populistische bubbel te bereiken? Maar hoe bereik je mensen die je niet kunnen horen? Dat is niet alleen een kwestie van iemand overtuigen, betere argumenten gebruiken of iemand van gedachten doen veranderen. Dit gaat over de vraag hoe je mensen überhaupt kunt laten luisteren. Gewoon schreeuwen over ‘feiten’ levert niets op als degenen de bronnen waarin deze staan niet vertrouwen.